Schoolidyllen (tip van Hester) Naeff, T.: Schoolidyllen; € 14,95
Ik heb een hoop boeken versleten toen ik klein was, maar Schoolidyllen zat er niet bij. En toen verscheen er een nieuwe uitgave, bezorgd door Kalien Blonden en dacht ik: Ja, fijn, een ouderwetsch boeck, dat ga ik lezen. Thuis aangekomen haalde ik het buikbandje van het boek –die dingen zijn irritant- en las ik dat erop stond ‘deze klassieker, die honderdduizenden meisjes en vrouwen tot tranen toe heeft geroerd’ en werd mijn enthousiasme even iets minder. Zou ik gevoelloos zijn als ik niet werd geroerd? Of was het zo sentimenteel dat je uit zou glijden over alle weekheid? Maar goed, lezen zou ik het en verdraaid: tranen met tuiten. Het was lang geleden dat ik zo hard had gehuild om een boek. Het is zo hartverscheurend zielig en tegelijk leest het verhaal over die bakvissen, tegenwoordig beter bekend als pubers, heel lekker weg. Voor hen die geen idee hebben: het verhaal gaat over vier meisjes op de middelbare school van wie er een braaf aan het leren is, terwijl de rest er een potje van maakt. De hoofdpersoon, Jet van Marle, steelt onmiddellijk je hart, als ondeugend weeskind met twee tamelijk liefdeloze pleegouders. In plaats van de huidige I-pods, I-phones en technofeesten lezen we over inktpotten, gebakjes en bals. In plaats van je werkstuk van internet te halen (leer mij die pubers kennen), schrijf je welgeteld één som over en krijg je daar al ontzettend voor op je kop. En als je verliefd bent, verknip je stiekem een onduidelijke jeugdfoto van de jongen in kwestie tot die zo groot is dat je ‘m in je horloge kunt stoppen, dat je natuurlijk verliest en door de verkeerde personen wordt gevonden, en dan zijn je jonge gevoelens zwaar gekwetst. Wat dat betreft is er niet zo veel veranderd-waag het niet te spotten met de gevoelens van jonge meisjes. Met die van oude meisjes ook niet trouwens. Vandaar al die tranen. Lekker.
Boddé, M.: Pil; € 17,50 Moet u depressief zijn om het boek Pil van Mike Boddé te lezen? Neen. Moet u mensen kennen met een depressie? Neen. Wordt u depressief als u het boek leest? Nogmaals neen. Boddé is er namelijk in geslaagd een buitengewoon leesbaar verslag te schrijven van de jaren van zijn leven waarin hij depressief was. Wellicht handig voor mensen die zelf een depressie hebben, maar vreemd genoeg ook voor andere mensen. Zijn verhaal is namelijk zo kwetsbaar, zo openhartig –openhartig op de goede manier, de manier die anderen in staat stelt zich ermee te identificeren, of op zijn minst mee te leven en er zelf lering uit te trekken, niet openhartig op de reality soap manier waarbij je na twee minuten denkt ‘man, hou het lekker voor jezelf’- en ook zo vol van humor dat het een genot is om te lezen. Boddé heeft zeer zwaarmoedige gedachten en er zijn pagina’s in het boek waar de grijstinten van afdruipen, maar hij heeft ook een zeer beminnelijk gevoel voor humor, niet vrij van enige zelfspot, waarmee hij zijn situatie bekijkt als voetbalcommentator, in absurde dialogen of door middel van zijn liedjes.Ondertussen is het verhaal er een van een jarenlange depressie, die hem verhindert om alleen te wonen, laat staan te werken, en daarbij komt zijn broer ook nog te overlijden, aan kanker. Zijn uiteindelijke redmiddel blijkt, zoals u uit de titel wellicht al begreep, een pil te zijn met de poëtische naam Anafranil. Daarna volgen de vragen: ‘Ben je nu nog wel jezelf?’ En erger nog: ‘Heb je niet het idee dat je je er zo makkelijk vanaf maakt?’ Tja. Waarop de repliek van Boddé is dat niemand in het geval van chemotherapie zou zeggen: ‘Ja hallo, een beetje aan de chemo, dat is lekker lui achterover liggen; dat is kunstmatig.’ Dat klinkt misschien heftig, of zelfs flauw, maar Boddé boort hier wel een belangrijk punt aan: depressie is een ziekte en kan mensen arbeidsongeschikt maken en zelfs leiden tot zelfdoding. Toch wordt dat niet algemeen geaccepteerd. Sommigen nemen misschien te snel het woord depressie in de mond, maar voor anderen betekent het echt dat ze niets meer kunnen. Als een pil die pijn weg kan nemen, is dat mooi meegenomen, al ligt dat in elk geval anders. Dit boek is overigens geen pleidooi voor pillen, maar geeft wel weer hoe genuanceerd het ligt, wat Boddé adequaat inleidt met een vraag die een studiegenoot hem in een café stelde, hij zei: ‘Ik hoorde dat jij zo’n moeilijke tijd hebt gehad. En daar kon ik me zo weinig bij voorstellen; je doet wat je leuk vindt, wat je doet kun je goed, je bent bekend, ik zie je altijd lachen op tv en je zult zeker wel goed verdienen bij de Mike & Thomasshow: wat heb jij nou om somber van te worden?’ Op zich niet eens zo’n vreemde vraag, maar zo simpel ligt het niet. What you see is niet altijd what you get. Maar aan het eind breekt de zon weer door. Gelukkig maar.
Voskuil, J.J.: Binnen de huid; € 25,-Ik heb maar weinig liefhebbers van Voskuil in mijn directe omgeving. Mijn moeder wilde graag het eerste deel van Het bureau lenen en gaf het na een tijdje terug met de mededeling dat ze er wel in begonnen was, maar het even weg had gelegd en het later nog wel eens zou oppakken. M’n liefste L. parodieert Het bureau het liefst als volgt: ‘Maarten komt de kamer binnen en vraagt zich af waar zijn perforator is gebleven. En dat duizenden bladzijden lang.’ Hij heeft het natuurlijk niet gelezen, maar dat vergeef ik hem, want hij heeft zo’n plezier in die perforator, en ik ook.Natuurlijk begrijp ik dat zeven dikke delen in dundruk over een kantoorbestaan niet door iedereen gewaardeerd kunnen worden, al is het toch zeer de moeite waard er aan te beginnen, want, o, hoe herkenbaar zijn al die kleine menselijke onhebbelijkheden die er in worden beschreven. Maar er is goed nieuws voor degenen die zich niet voelen aangetrokken tot lange beschouwingen over het studentenleven (Bij nader inzien-evengoed prachtig) of het kantoorbestaan: er is nu Binnen de huid, postuum uitgegeven na goedkeuring van de weduwe van Voskuil. Ook degenen die de andere boeken wel hebben gelezen, raad ik dit boek natuurlijk aan, maar ik verdenk ze ervan dat ze het al netjes tussen Bij nader inzien en het eerste deel van Het bureau hebben staan. Binnen de huid is namelijk geschreven in de periode tussen Bij nader inzien en Het bureau, in 1954-1956, en gaat over de vriendschap tussen de hoofdpersoon van al Voskuils boeken Maarten, tevens Voskuils alter ego –zij het omgewerkt tot romanpersonage-, zijn vrouw Nicolien, en Paul en Rosalie, twee stellen dus. Oude studievrienden die steeds meer uit elkaar lijken te groeien, maar tussen wie tegelijk het een en ander broeit. In recensies zijn al verschillende discussie ontstaan, zo verkondigde Elsbeth Etty weinig genuanceerd dat Maarten een zeur is en iedereen slecht zou afbeelden om zichzelf er beter uit te laten komen. Het is in dit geval natuurlijk extra pikant dat het hier om een sleutelroman gaat, waarvan het merendeel van de personages nog in leven is. Of Maarten zeurt wil ik in het midden laten, hij spaart zichzelf in elk geval niet. Hij onderwerpt zichzelf steeds weer opnieuw aan een diep en pijnlijk zelfonderzoek, hij spaart daarbij de anderen ook niet, maar zichzelf toch het minst. Hiermee komt Voskuil behalve binnen zijn eigen huid ook binnen de huid van de lezer en komt hij, ook door het gebruik van de ik-vorm, dichterbij dan hij ooit is gekomen. Wie het lef heeft om zichzelf zo bloot te geven en zich, ontleed als in een anatomieles, opengelegd maar nog niet in een keer te begrijpen, aan de lezer durft te laten zien, verdient het dat zijn boek flink wordt gelezen. Ik heb dat zelf in elk geval met veel genoegen gedaan.
Glattauer, D.: Goed tegen noordenwind; € 17,50 Een digitale paringsdansEmmi Rothner schrijft per abuis een mailtje naar Leo Leike. Ze wil eigenlijk een tijdschrift opzeggen, maar typt per ongeluk een letter verkeerd in het e-mailadres. En zo ontstaat er contact. Zo simpel kan het gaan. En zo gecompliceerd kan het worden. Wat als een abusievelijke mailuitwisseling begint, groeit namelijk uit tot een digitale paringsdans, die alleen maar spannender wordt voor beide deelnemers aangezien ze elkaar nooit echt gezien hebben. Zo kunnen ze de ander boetseren tot een ideaalbeeld als ware Pygmalions. Aangezien er zonder beperking echter geen goed verhaal zou zijn is Emmi getrouwd en moet de afstand blijven bestaan. Dat wordt steeds moeilijker. Dit lijkt een vrij simpel en bijna banaal gegeven, maar Glattauer weet met alleen mails, waar het hele boek uit bestaat, twee mensen van vlees en bloed te scheppen. Ook hij is een Pygmalion. Hij weet verlangen, desillusie en de altijd redeloze jaloezie zo goed te vangen via dit eigentijdse communicatiemiddel dat je het boek het liefst in een ruk wil uitlezen. Want waar kiezen deze mensen voor? Blijven ze zonder gezicht voor elkaar, wat zo goed mogelijk is op het anonieme Internet of zwichten ze voor hun nieuwsgierigheid? Wat de communicatiemiddelen betreft is 'Goed tegen noordenwind' een boek van deze tijd, maar tegelijk borduurt het voort op de eeuwenoude briefwisseling. Denk aan Roxane, die verliefd werd op de prachtige woorden van Cyrano. Denk aan Belle van Zuylen die eindeloos brieven schreef met d'Hermenches. Denk aan Abelard en Heloïse die hun verlangens opschreven toen ze fysiek niet bij elkaar konden zijn. Iemand die goed schrijft, kan je helemaal betoveren, zelfs als je die persoon niet of nauwelijks kent. Daar moet ik wel bij zeggen dat je zo'n persoon uiteindelijk wel het liefst in je armen wil sluiten. Of dat hier gebeurt? Leest u het boek maar.
Tellegen, T.: De genezing van de krekel; € 14,95 Het zal je maar gebeuren: je staat op, het is een mooie zomerdag, je fluit vrolijk een deuntje en ineens zit er een zwaar gevoel in je hoofd dat maar niet weg wil gaan. Dat is nu precies wat de krekel overkomt. Wat volgt, is een prachtig verslag van het verloop van een depressie. De krekel probeert het gevoel te benoemen, praat erover met de andere dieren en trekt zich tenslotte steeds meer terug. Wat ik altijd zo bewonder aan Toon Tellegen is dat hij de kunst verstaat om in hele simpele bewoordingen gecompliceerde dingen te vertellen. Op een bedrieglijk eenvoudige manier weet hij de vinger precies op de zere plek te leggen. Het ‘gevoel’, de depressie dus, is in dit boek eigenlijk een personage, doordat de krekel het aanspreekt en bevecht en zelfs een keer tegenkomt. Je bent onwrikbaar, dacht hij, ik weet het wel… Hij gaf een harde klap tegen zijn hoofd en riep: ‘Ga weg!’ Daardoor wordt des te duidelijker hoezeer een depressie iemands leven kan beheersen, in zulke proporties dat het een heel persoon kan lijken. De gesprekken van de krekel met en over zijn gevoel zijn dan ook zowel pijnlijk als roerend en soms ook heel grappig. Ieder dier reageert anders op zijn depressie. De eekhoorn wil hem voornamelijk helpen en is ook degene die uiteindelijk een stuk glibberig somber gevoel uit het hoofd van de krekel pakt. De mol en de aardworm zijn jaloers, want die willen ook somber zijn. De tor is altijd al somber en gaat daar graag prat op. De houtworm begrijpt hem totaal niet. Maar eensgezind of niet, ze willen de krekel wel allemaal helpen als dat echt nodig blijkt te zijn. Daarnaast lezen we het verhaal van de olifant die eeuwig en onvermoeid doorgaat met zijn queeste om in bomen te klimmen, een pirouette te maken en er weer uit te vallen. Het is mooi dat Toon Tellegen deze twee naast elkaar heeft gezet. Aan de ene kant de krekel, normaal gesproken tevreden met zoete grasstengels en het fluiten van een liedje, die door zijn gevoel tegengehouden zelfs die simpele genoegens niet meer kan smaken. En aan de andere kant de olifant, de hemelbestormer, die nergens door wordt tegengehouden om het onmogelijke te doen: een pirouette te maken op de hoogste tak van een boom, die elke keer naar beneden stort, maar geen moment opgeeft. Ze zijn allebei ontroerend, elk op hun eigen manier. En gelukkig, gelukkig, zoals de titel al impliceert, uiteindelijk komt het allemaal weer goed met de krekel, zodat de lezer zelf ook een hart onder de riem gestoken krijgt.
Greenberg, M.: De dag waarop mijn dochter gek werd; € 19.95Een psychische natuurramp Waarschijnlijk is het mijn eigen fascinatie voor uit de toon vallende vrouwen, maar de titel ‘De dag waarop mijn dochter gek werd’ sprak me meteen al aan. In dit boek vertelt de schrijver Michael Greenberg over het waargebeurde verhaal van zijn dochter, die op haar 15e haar eerste psychose kreeg. Nu ben ik over het algemeen geen aanhanger van waargebeurde verhalen, omdat zich ongewild de associatie met de vroegere zeurderige woensdagavondfilm (‘gebaseerd op een waargebeurd verhaal’) opdringt. Dit boek heb ik echter met veel plezier gelezen, voor zover je van plezier kan spreken als iemand totaal de weg kwijtraakt. De eerste pagina’s heeft Greenberg helaas wel de neiging zijn en zijn dochters situatie te vergelijken met die van verschillende schrijvers, componisten en andere artiesten. Een neiging die op mij overkomt als intellectueeldoenerij die het boek helemaal niet nodig heeft. Daarna word je gelukkig helemaal meegezogen in het verhaal van Sally die denkt dat ze eindelijk heeft ontdekt hoe de wereld in elkaar zit. Iedereen had bij zijn geboorte volgens haar namelijk een bepaald genie in zich, maar de meesten zijn dat naarmate ze ouder werden kwijtgeraakt. Het is haar taak om dit geloof onder iedereen te verspreiden: mensen in het café, op straat en in de metro moeten er allemaal aan geloven. Thuis leest en bekrabbelt ze de sonnetten van Shakespeare met een bangmakend fanatisme en zo moet ze opgenomen worden. Michael Greenberg weet uiteraard niet wat hem overkomt. Van de ene op de andere dag kan hij niet meer tot zijn dochter doordringen en wordt hij aangesproken met ‘Maak ik je bang, Vader?’, alsof ze in een slecht toneelstuk zijn beland. Hij en de andere mensen om Sally heen vragen zich af wat ze verkeerd hebben gedaan en waarom ze dit niet hebben zien aankomen. Het relaas van Sally’s eerste val en voorzichtige eerste opstanding is hartverscheurend en absoluut niet zeurderig. Het feit dat een jong en creatief meisje zo totaal vervreemd van zichzelf raakt, is ontzettend angstaanjagend en treurig genoeg, zoals Greenberg ook opmerkt, tegelijk fascinerend. Hij noemt een psychose een soort natuurramp: verschrikkelijk, op zijn eigen manier schitterend, maar bovenal zeer vernielzuchtig.
Roche, Ch.: Vochtige streken; € 17,90Victoriaanse Pussy Cat Doll De meeste mensen die zich interesseren voor boekenland zullen de naam Charlotte Roche wel hebben horen vallen: een sprookjesachtige naam, waarachter je een Jane Eyre of een Eline Vere verwacht. En inderdaad, Charlotte Roche oogt als een zedige, keurige, frêle dame van rond de dertig. Haar boek is echter een stuk minder zedig. De achttienjarige Helen beschrijft tot in de finesses haar sexleven en fascinatie voor haar lichaamssappen en –geuren. Uiteraard heeft dit boek een hoop commotie veroorzaakt. Sommigen doen het bij voorbaat af als lectuur die de moeite van het lezen niet waard is, anderen vinden het vooral fascinerend, maar meer niet en nog een groep vindt het je reinste literatuur. Persoonlijk vind ik dit boek een verademing in een tijd waar jonge meisjes steeds vaker geloven dat ze pas echt vrouwen zijn als ze geen eigen lichaamsgeur meer hebben en hun schaamhaar hebben afgeschoren. Charlotte Roche durft daar in haar licht Victoriaans tenue wel zo eigenzinnig tegenin te gaan dat ik het alleen daarom al de moeite waard vind. Daar komt nog bij dat deze Helen niet zomaar maar een anale en vaginale fixatie heeft. Het feit dat ze haar grenzen opzoekt, komt voort uit een schokkende gebeurtenis in haar jeugd, die daarna altijd is ontkend. Aan de ene kant is dat jammer, omdat Helen zo alsnog kan worden afgedaan als iemand die vooral in de war is, terwijl ze in sommige opzichten best gelijk heeft, al trekt ze het door naar het extreme. Aan de andere kant geeft dat haar personage wel meer diepte. Helaas wordt de gebeurtenis uiteindelijk zo uitgekauwd dat ik me als lezer tekort gedaan voelde, maar dat werd goedgemaakt door de grote dosis ironie die Helen in het boek tentoonspreidt. Roche heeft op deze manier een interessante en kwetsbare young angry woman neergezet. Ik ben benieuwd waar haar volgende boek over gaat.
Faber, M.: Lelieblank, scharlakenrood; € 10,- Geen onbeschreven blad Zo blank als een lelie is de huid van Sugar, zijzelf is echter geen onbeschreven blad. Ze is slechts 19 jaar jong en zit al sinds haar jonge puberteit in de prostitutie. Ze begint in de achterwijken van het 19e-eeuwse Londen, maar doordat ze bijzonder intelligent is, klimt ze steeds hoger op de sociale ladder. Het is immers juist als prostituee mogelijk om belangrijke informatie te ontfutselen aan een man die nog volkomen tevreden ligt na te hijgen. Zodoende wordt ze de maîtresse (hoe hoger de klasse, hoe mooier het woord) van de steenrijke William Rackham, eigenaar van een parfumfabriek. Ze dient hem zelfs van advies. Naast deze eigenzinnige en tegelijk tragische Sugar passeren tal van interessante personages de revue en word je als lezer meteen het verhaal ingesleept alsof je er zelf bij was. Zo is daar de godvruchtige broer van William die verkiest om in een krot te wonen in een achterbuurt uit loyaliteit met de armen. Of Agnes, de vrouw van William, die bij elke menstruatie denkt dat ze doodziek is, simpelweg omdat niemand haar ooit heeft voorgelicht. Het zijn allemaal bijzondere en kleurrijke personages die een hoop vertellen over hypocrisie en schone schijn en waarom mensen daar zo wanhopig aan vasthouden. Ook over de op z’n zachtst gezegd bijzondere vormen die de liefde kan aannemen wordt een boekje opengedaan. Juist omdat dit boek zich afspeelt langs de wat schimmige randen van de samenleving kunnen deze thema’s zo zonder scrupules beschreven worden. Niet plat, niet overdreven verheven, maar gewoon zoals het is, en dat vind ik een grote kwaliteit van Michel Faber.
 Hermsen, J.J.: De liefde dus; € 18,95 Stel, u bent heftig verliefd. Of stel, u heeft heftig liefdesverdriet. Of misschien bent u zelfs èn heftig verliefd èn heeft u heftig liefdesverdriet, door elkaar heen. Dat klinkt niet logisch, maar in de liefde bestaat er nu eenmaal geen logica. En stel, u houdt wel van een achttiende-eeuwse setting en in het bijzonder van Belle van Zuylen. Voldoet u aan een van deze voorwaarden en vooral aan de laatste? Lees dan De liefde dus van Joke Hermsen.De setting is als volgt: Belle van Zuylen, 45 jaar oud, is op haar 30e getrouwd met Charles de Charrière, maar heeft dat vooral gedaan om haar ouders tevreden te stellen. Het is dus een verstandshuwelijk en Belle is behalve zeer intelligent ook zeer gepassioneerd. Het is haast onvermijdelijk dat ze om de zoveel tijd verliefd wordt op iemand anders. Een van die keren was waarschijnlijk, want over deze jaren uit haar leven is weinig bekend, de keer dat ze verliefd werd op de jongere Charles (Jean-Samuel) d’Apples. Deze jongeman was echter al verloofd en uiteindelijk is waarschijnlijk toch gekozen voor de conventie of de lieve vrede of hoe het mag heten. Aangezien de feiten zoals gezegd onzeker zijn, biedt dit een prima aanknopingspunt voor een roman. Het boek begint als de affaire al over is en Belle, ziek van liefdesverdriet, vertrekt naar Parijs om de zielendokter Cagliostro, die een twijfelachtige reputatie heeft, te raadplegen. Nu stond in de achttiende eeuw redelijkheid in een hoog aanzien –al begonnen de eerste romantici hun plaats op te eisen- en was Belle van Zuylen een erudiete vrouw die onder andere politiek was onderlegd en daarbij goed kon schrijven en musiceren. Dat neemt echter niet weg dat Belle een hartstochtelijke aard had en daar prachtig over kon schrijven. Joke Hermsen maakt soms gebruik van Belle’s fragmenten, maar neemt meestal zelf haar stijl over en dat doet ze bijzonder goed. Het boek is verdeeld in brieven, dagboekfragmenten en een gedeelte dat vanuit Jean-Samuel is geschreven. Mij spraken de dagboekfragmenten het meest aan en dan vooral de delen waar het gaat om Belle’s innerlijke strijd tussen haar gevoel en haar verstand en geweten. Haar gevoel schreeuwt dat ze bij Jean-Samuel wil zijn, maar haar geweten wil haar ouders en haar echtgenoot, op wie ze nooit verliefd is geweest maar met wie ze wel een goede band heeft, geen pijn doen. Haar goede opvoeding heeft de overhand, maar botst met haar hele wezen. Dus wordt ze ziek, geestelijk, maar ook lichamelijk. In de gesprekken met Cagliostro raakt ze eerst geïrriteerd door het belang dat deze hecht aan het volgen van je hart, omdat het niet strookt met de maatschappij waarin ze leeft. Gaandeweg accepteert ze haar eigen inborst beter en ziet ze in dat haar lichaam door ziek te worden eerder dan haar hoofd heeft begrepen hoe de vork in de steel zit. Dit thema tilt het boek uit de achttiende eeuw naar een universele strijd zodat ook ik, geboren in de twintigste eeuw en niet gebonden aan dezelfde maatschappelijke conventies, heel goed begrijp om welke worsteling het gaat. Bovendien kan iemand die een zin als de volgende schrijft –ik weet niet waar Belle hier ophoudt en Joke begint- bij voorbaat op mijn sympathie rekenen: ‘Liefde is geen rozengeur en maneschijn, vergeet het maar. Eerder een span paarden dat over je heen rijdt, waarna je zelf maar moet bekijken wat er nog van je over is.’
 Jansen, T.: Koerikoeloem; € 15.00 Tjitske Jansen heeft iets met sprookjes. Niet alleen komen er af en toe sprookjesfiguren voor in haar gedichten en toneelteksten, haar laatste bundel Koerikoeloem lijkt op het eerste gezicht net een sprookje door het veelvuldig gebruik van de woorden ‘er was…’, maar wie verder leest, ziet dat er geen ‘er was eens’ staat waardoor die illusie meteen doorbroken wordt. Het blijkt hier dan ook geen sprookje te betreffen, maar een lang gedicht in fragmenten, geïnspireerd op het leven van Tjitske Jansen zelf; een optocht van onhandige vaders, pesterige broertjes, gekke tantes en vooral tal van pleeggezinnen met elk hun eigen regels en structuren. De eenvoud van de woorden en zinnen in Koerikoeloem is, net als in ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen’, bedrieglijk. Er is altijd meer. Als je goed leest, ligt er altijd een wereld achter die simpele bewoordingen en dat is er meestal een van grote eenzaamheid. De woorden ‘er was’ zorgen voor een schijnbare afstand, alsof het een objectieve observatie betreft, en juist door die afstand worden de pijn, maar ook het gevoel voor humor (die twee gaan immers vaak hand in hand) die aan de observaties ten grondslag liggen duidelijk. Zo is er bijvoorbeeld het uit een zin bestaande gedicht: Er was mos. Het levende bewijs dat je kunt groeien zonder wortels. Deze zin komt mij op het eerste gezicht komisch voor, omdat de zin een onverwachte wending neemt, maar tegelijk voel ik, zeker omdat deze zin bijna aan het eind van de bundel staat, het verdriet van iemand die nooit een stevige basis heeft gekend door al het heen en weer verhuizen tussen verschillende gezinnen. Maar melodramatisch of zwaar wordt het gelukkig nooit. De toon blijft licht, en juist daardoor word je erdoor geraakt. Er was iemand die me adviseerde: ‘Als je dan toch verdrietig bent, maak er dan wel een mooi project van. Ga met je roodste lippenstift in bed liggen. En mascara. Veel mascara. Zodat het uit gaat lopen!
 Goikoetxea Langarika, K.: Evamar; € 19.90 Don Ricardo draaide zijn gezicht naar haar toe en vroeg door het traliewerk heen: ‘Heb je ongewenste gedachten gehad?’ De adem van don Ricardo stonk. Het was een mengeling van rotte eieren en parfum. Evamar wist niet zo goed wat ze moest antwoorden. Wat was ongewenst, en wat was gewenst? Met deze vraag hebben de drie generaties vrouwen Teresa, Lucía en Evamar nogal wat te stellen. Teresa, die samen met haar zus Dolores en haar moeder in het Baskische dorpje Uranda woont, heeft moeite met de katholieke traditie die er heerst. Zo wordt haar dementerende moeder verweten dat het haar eigen schuld is dat ze haar verstand is kwijtgeraakt omdat ze haar heil eerder zocht bij de berggodin Meire dan bij de kerk. Ze kan zich, in tegenstelling tot haar zus Dolores, niet schikken in de tradities die het hele dorp worden opgelegd en wil eigenlijk naar de stad. Dat hoopt ze te doen met haar geliefde Javier, die eerst lange tijd heeft moeten vechten in de Spaanse burgeroorlog, maar Javier is niet zo’n voorstander van dit idee. Hun dochter Lucía zal uiteindelijk wel de benauwdheid van het strenge dorp en de ingewikkelde relatie met haar moeder Teresa ontvluchten om met haar man Juan in de stad te gaan wonen. Lucía en Juan proberen daar een bestaan op te bouwen ‘zoals het hoort’ met een keurig huis en televisie en vooral veel en hard werken, terwijl om hen heen het verzet groeit en gevochten wordt voor de rechten van werknemers. Hun dochter Evamar breekt uiteindelijk juist weer los uit dit geregelde bestaan om uit te vinden wat zijzelf gewenst en ongewenst vindt. Met dit boek heeft Kristina Goikoetxea Langarika, zelf afkomstig uit Baskenland, een mooi debuut geschreven. Haar zinnen zijn krachtig en kernachtig, zonder onnodige opschmuck. Het verhaal over deze drie generaties uit een klein dorp spreekt erg tot de verbeelding en laat, met op de achtergrond het verloop van de geschiedenis van het land, op een wonderschone manier de verhoudingen, tradities, strijd, maar ook de steun binnen een familie zien.
“Evamar” is bij Pantheon Boekhandel gepresenteerd. Voor foto’s van de presentatie, kijk op presentatie Evamar. Voor meer informatie: kijk op http://www.evamar.nl/
Homes, A.M.: De dochter van de minnares; € 18,90In ‘De dochter van de minnares’ geeft A.M. Homes een pijnlijk en toch geestig portret van haarzelf als schaduwdochter. Een gewaagd zelfportret, waarin ze anderen scherp observeert en ook enig zelfonderzoek niet schuwt. Al geadopteerd voordat ze geboren was, heeft ze nooit contact gehad met haar biologische ouders, tot het moment dat haar moeder ruim dertig jaar later probeert haar dochter te bereiken. Ook haar vader komt dan in zicht en dat levert nogal wat vervreemdende situaties op. Zoals uit de titel blijkt, is Homes voortgekomen uit een buitenechtelijke relatie. Haar moeder wil dat Homes haar adopteert en voor haar zorgt en de vrouw van haar vader is voortdurend jaloers op haar, alsof zijzelf en niet haar moeder de minnares is. Genoeg zaken om volkomen van in de war te raken. Homes raakt gefascineerd door haar biologische verleden en begint aan een haast obsessioneel stamboomonderzoek. Tegelijk groeit echter haar band met haar adoptiefamilie, omdat ze steeds meer beseft dat haar echte roots toch daar liggen. Dit geheel doet je weer eens nadenken over de willekeurigheid van familiebanden, maar tegelijk ook over de eigenschappen die je ongewild meekrijgt in je genen. De gezichtstrekken, lichaamsvormen of zelfs belachelijke kleine gewoonten zoals standaard voor je met haast wegmoet je sleutels absoluut nergens kunnen vinden - mijn moeder en ik hebben daar allebei een handje van. Mijn vader en ik konden om dezelfde gebeurtenis tegelijk ontzettend in de lach schieten, terwijl de rest van de omstanders de humor daar niet altijd van kon inzien. Dit boek geeft zo niet alleen een ontroerend relaas van een meisje dat eigenlijk had gehoopt dat haar biologische moeder supervrouw zou zijn, maar brengt je ook nog eens terug bij je eigen herinneringen.
 Waters, S.: Fluwelen begeerte; € 8,50 Wat is er fijner dan op vakantie te gaan en een boek bij je te hebben dat je zo weet te boeien dat je de rest om je heen helemaal niet meer hoort, zoals daar zijn: krijsende kinderen in het vliegtuig, straatgewoel, je vriendje die je al drie keer gevraagd bleek te hebben of je nou koffie wilde of niet. Zo’n boek is wat mij betreft Fluwelen Begeerte van Sarah Waters. Dit boek vertelt de belevenissen van Nancy Astley in het negentiende-eeuwse Engeland, met name Londen. Er passeren behoorlijk wat onderwerpen de revue, deels tijdsgebonden, deels tijdloos: de sfeer van het Victoriaanse Londen, zowel de chique huizen als de besmeurde steegjes, het avontuurlijke verhaal over een opgroeiend meisje dat van het platteland in de grote stad komt en vervreemdt van haar familie, de coming-out van hetzelfde meisje dat van vrouwen blijkt te houden, de hypocrisie van haar omgeving. Het knappe van Waters is dat het geheel geen moment onoverzichtelijk wordt en ook dat het nooit zeurderig of betogend wordt; het blijft de hele tijd een sterk verhaal met een bewonderenswaardige spanningsboog. Ze zet haar personages met zoveel liefde en vooral ook zoveel schakeringen neer dat ik elk moment benieuwd bleef wat ze daarna zouden gaan uitspoken. De setting mag er dan wel een zijn van lang geleden, het verhaal van Nancy die lange tijd niet weet wat ze aanmoet met haar homoseksualiteit zou zich evengoed vandaag kunnen afspelen. Ook al is de samenleving in veel opzichten tegenwoordig vrijer dan in het Victoriaanse Londen, de reacties op haar geaardheid van haar omgeving staan, ben ik bang, niet mijlenver van de actualiteit. Bovendien blijkt uit het boek, dat Waters op veel studies over die tijd heeft gebaseerd, dat de Victoriaanse tijd niet zo stijf was als de meeste mensen denken. Naast de uitgewerkte psychologie van de passerende personages, beschrijft Waters heel Londen: de rijke decadenten met hun rare gewoontes, arbeiders die voor een schijntje heel hard werken, goedkope stoelen achterin bij de revue, dure stoelen voorin bij de opera, acteurs, oesterbereiders, schandknapen, prostituees en hun klanten, de opkomende socialistische beweging. Fluwelen Begeerte (Tipping the Velvet) was in 1998 Waters debuut en is inmiddels ook verfilmd, wat toch nog heel wat geschokte reacties teweeg bracht vanwege de lesbische erotische scènes, en dat was dus in 2002…
 Palmen, C.: Lucifer; € 19,95 Net als bij ‘I.M.’ het geval was, heeft Connie Palmen in haar nieuwste roman ‘Lucifer’ haar verhaal gebaseerd op de werkelijkheid, en net als in ‘I.M.’ heeft ze dat op een manier gedaan die de vraag oproept hoever je daarin kan gaan. Want stiekem vraagt iedereen zich natuurlijk toch af wie wie is en hoe het nou echt is gegaan. Uiteindelijk gaat het daar natuurlijk niet om. Amos Oz schrijft dan ook in ‘Een verhaal van liefde en duisternis’: ‘De slechte lezer wil altijd weten, en wel onmiddellijk, ‘wat er echt gebeurd is’. Wat het verhaal is achter het verhaal, waar het over gaat, wie tegen wie is, wie er eigenlijk met wie geneukt heeft.’ Slechte lezer of niet, onwillekeurig ga je je natuurlijk toch wel afvragen wat er precies gebeurde in de zomer van 1981 op Skyros. Weinig mensen hebben een totaal gebrek aan gevoel voor sensatie. Maar het blijft speculatie en dat heeft Connie Palmen goed naar voren weten te brengen, net als de gevolgen van een moeizaam huwelijk in een omgeving met een vrijheidsdwang, zoals die ontstond eind jaren zestig. Alles móet kunnen; dat is gevaarlijk. Het mooiste vind ik echter het steeds weer terugkerende thema in de boeken van Palmen: vriendschap. Verschillende vriendschappen tussen verschillende mensen worden hier uitgesponnen; de vriendschap tussen twee vrouwen, de vriendschap tussen twee mannen en misschien nog de meest gecompliceerde: de vriendschap tussen man en vrouw. En dat is mooi; Palmen kan zo mooi de breekbare banden en talloze misverstanden tussen mensen observeren en weergeven. Hartverscheurend is het onbegrip dat ontstaat als mensen alleen nog maar hun veronderstellingen over elkaar gaan geloven in plaats van naar elkaar te luisteren. Dat is wat voortdurend in dit boek gebeurt; onder andere tussen Lucas Loos en zijn vrienden. Op een gegeven moment zijn alle contacten zo verstoord dat normaal praten niet meer mogelijk is; dan rest alleen nog de speculatie, die als waarheid wordt aangenomen. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat de lezer in dezelfde kuil valt als de personages deden, maar tegen die tijd maak je je allang niet meer druk om ‘wat er echt gebeurd is’: Connie Palmen heeft ons dan al boeiender zaken dan dat laten zien.
 Möring, M.: Dis; € 15,- Toegegeven, de nacht voor de TT-races in Assen is niet het eerste waar ik aan denk als ik een interessant boek wil vinden. Toch is dit de achtergrond van het boek ‘Dis’ van Marcel Möring en het spreekt nog tot de verbeelding ook. In ‘Dis’ lezen we voornamelijk het verhaal van de Jood Jakob Noach, ontsnapt aan de razzia’s van de Tweede Wereldoorlog, maar overgebleven zonder familie of vrienden.Alles wat Jakob nog wil nadat hij bevrijd is, is terugkeren naar de vroegere schoenenwinkel van zijn ouders. Vanuit daar begint hij een lingeriezaak, en met succes. Hij trouwt, krijgt drie mooie dochters en breidt zijn territorium in Assen steeds verder uit. Als hij daar nu gelukkig mee zou zijn geweest, hadden we natuurlijk geen boek gehad. Gelukkig is hij dan ook niet. Ongelukkig misschien ook niet, het lijkt eerder alsof elk gevoel uit hem gebannen is. Alleen zijn jongste dochter Chaja kan nog iets bij hem oproepen, ook al begrijpt hij niet veel van haar. Zijn vrouw, zijn minaressen, zijn succes, het laat hem koud. Zijn verhaal, en zijn zoektocht naar zijn eigen verloren leven spelen zich af met de genoemde races op de achtergrond. Deze drukke nacht, waarin de alcohol rijkelijk vloeit en een bonte stoet mensen de provinciestad bevolkt, heeft Möring de mogelijkheid geboden te springen van personage naar personage en van tijdvak tot tijdvak. Er wordt een tijdsbeeld gegeven van de provincie in Nederland tijdens de wederopbouw tot aan de jaren tachtig. Je krijgt een intieme blik in de vluchtige gedachtens en gevoelens van passanten, buurtbewoners, vrienden en familie van Jakob Noach. Want Jakob is natuurlijk niet de enige die zich een en ander afvraagt over zijn levensloop. Het malen in de hoofden van de mensen gaat immers altijd door. Tegelijk krijg je een beeld van een man die zichzelf totaal is verloren en steeds dieper afzakt in de negen lagen van zijn eigen hel, in plaats van door Vergilius rondgeleid door de Jood van Assen. Het is een boek vol stilistische manoeuvres; zowel in schrijfstijl als in typografie en vol verwijzingen, van Dante tot Lewis Carroll. Het is dus een vol boek, een rijk boek ook. Dat zou kunnen leiden tot een onleesbaar geheel, maar dat vond ik het niet. Het is het soort boek waardoor je je maar moet laten overstromen, ook al begrijp je lang niet alles in eerste instantie. Het is namelijk zo rijk aan beschrijvingen, indrukken en beelden dat ik me geen moment heb verveeld. Het enige gevaar daarvan was dat ik zo verdiept was in het boek toen ik in de trein zat naar mijn werk dat ik een station miste en weer terug moest reizen. Maar vergeleken bij de innerlijke reis die Jakob Noach maakt, stelde dat natuurlijk niets voor.
 Bomans, G.: Pieter Bas; € 14,95 U kunt het ouderwets of oubollig of volkomen uit de tijd vinden, maar toch valt niet te ontkennen dat Godfried Bomans een onmiskenbaar gevoel voor humor heeft. Een boek dat iedereen dan ook op zak zou moeten hebben is het onlangs opnieuw verschenen Pieter Bas en wel om een reden die ik dadelijk uit de doeken zal doen. Pieter Bas betreft de beschrijving van de jeugd van een Oud-Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, ene Pieter Bas. De vader van Godfried Bomans bekleedde echter dezelfde functie. Hij was dan ook niet zo in zijn doen met dit boek. De verhalen uit Pieter Bas zijn jeugd zijn al hilarisch, zijn studententijd is het nog meer. De reden waarom dit boek iedereen een hart onder de riem kan steken, is mijns inziens dan ook vanwege een scène die in de studententijd plaatsvindt. Pieter Bas moet hier zijn propedeuse-examen afleggen. Na de hele nacht werkelijk bestookt te zijn met raad door zijn vrienden komt hij op van de zenuwen binnen bij zijn examinatoren en de daaropvolgende situatie is zo grappig en tegelijk relativerend dat ik ‘m er elke keer op na sla als ik een examen, auditie, enge sollicitatie of waar ik ook tegenop zie, moet doen. En elke keer word ik weer gerustgesteld. Mijn exemplaar, dat al van mijn vader was, hangt dan ook zodanig uit zijn voegen, dat ik de nieuwe editie zelf ook wel aan kan schaffen. De linkse professor glimlachte. "U wist het, meneer Bas, maar u zei het niet." Alle drie begonnen zij te lachen. Ik zat sprakeloos van verontwaardiging. "Maar ik wilde het juist zeggen!" riep ik plotseling uit. "Goed. Maar u zei het niet," hernam de meest linkse met innig welbehagen. Na meegeleefd te hebben met dit enorm vertoon van zenuwachtigheid, worden je eigen zenuwen spontaan minder. Zo erg als daarnet kan het niet meer worden. Probeert u maar!
Breure, M.: Het land van Legba; € 18,90 Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Niet overdrijven. Niet in sprookjes geloven. Dit soort zinnen hoort een gemiddeld Nederlands c.q. West-Europees kind vaak genoeg tijdens zijn opvoeding. Wat gebeurt er nu als je zo’n kind, inmiddels netjes opgegroeid en opgeleid, in een totaal andere omgeving zet? Het blijkt zo gefascineerd te zijn dat het heen en weer blijft gaan en zelfs jaren in deze nieuwe omgeving blijft om deze proberen te doorgronden. Maar probeer maar eens een plaats te doorgronden waar de houvast van je westerse opvoeding niet zoveel waard is. Marnel Breure, Zuid-Hollandse, heeft deze zoektocht ondernomen, en wel naar Bénin, West-Afrika. Daaruit is een verslag voortgekomen dat fascineert, angst aanjaagt, humor heeft en, niet onbelangrijk, ook nog eens bijzonder leesbaar is geschreven. De schrijfster is er in geslaagd een onderzoek te schrijven en daarin alle mogelijke wetenschappelijke droogheid met een indringend Afrikaans ritme te omzeilen. Het is namelijk een bijzonder persoonlijk verslag. Is het beter goed en kwaad niet zo streng te scheiden als wij hier doen? Leidt dat tot een meer harmonisch leven? Een wetenschappelijke hypothese toepassen op jezelf; je moet maar durven. Wie bij voorbeeld ‘Rope’ van Alfred Hitchcock ooit heeft gezien, weet welke risico’s je in dat geval te wachten staan. Ik heb bewondering voor de manier waarop Marnel Breure zich heeft verdiept in de voodoocultuur. Ze heeft er namelijk niet alleen onderzoek naar gedaan, ze heeft zich er in ondergedompeld. Niet zonder twijfels, niet zonder risico. Wat kom je allemaal tegen als je je pantser van aangeleerde beleefdheden laat vallen en je onderbewuste naar voren laat treden? En wat doe je vervolgens met deze Titanische krachten? Zijn deze echt slecht, of zijn ze natuurlijk? Voor een antwoord op de eerste twee vragen, raad ik u aan het boek te lezen, want het is zeer de moeite waard. Verwacht echter niet dat de laatste vraag wordt beantwoord. Na het lezen van dit boek blijft die nog wel een tijdje door uw hersenpan rondspoken. "Het land van Legba" van Marnel Breure is op donderdag 12 oktober in Pantheon Boekhandel gepresenteerd.
 Weijts, C.: Art. 285b; € 12,50 Pleidooi van een stalker Christiaan Weijts, debuterend met Art. 285b, kent zijn klassieken. O, Lolita…de fille fatale die mannen het hoofd op hol brengt, juist door haar meisje-zijn, en door haar manipulatie. Weijts' hoofdpersonage Sebastiaan Steijn houdt een vergelijkbaar pleidooi als Humbert Humbert om zijn obsessionele liefde voor het meisje Victoria te verklaren. Sebastiaan is een wat melodramatische, licht gefrustreerde pianoleraar die maar niet kan kiezen tussen de kalme relatie met de gevoelige Italiaanse Rosetta waarin hij zijn gevoel voor romantiek kwijt kan en de onberekenbare spanning die hij vindt bij Victoria, die als striptease-danseres geld verdient voor de dansacademie. Wat uit dit gegeven voortkomt, is een aardig staaltje van de strijd der seksen in dit sensuele boek. Sebastiaan verzucht dat vrouwen eigenlijk helemaal geen mannen meer nodig hebben, hoogstens voor hun lichamelijk behoeften. Hoe zit het nu met die verhouding tussen man en vrouw? Moet je alleen maar blij zijn met alle vrijgevochtenheid? En wat betekent seks in een samenleving waarin meisjes zich vanaf het begin van hun tienerjaren behoorlijk schaars kleden om hun leeftijdgenoten uit te dagen? Want ook Rosetta wordt van een kalm, melancholiek meisje een uitgelaten en uitdagende studente. Daarnaast schetst het boek een roerend beeld van twee jonge artiesten die op hun eigen manier hun strijd voeren om een bestaan op te bouwen in de wereld van het theater. Het mooie is dat je nergens partij kiest. Er is wat mij betreft niet één personage waar je onvoorwaardelijk achter staat. Sebastiaan is, net als Humbert Humbert, nu weer eens beklagenswaardig, dan weer een schoft. Iedereen voert uiteindelijk ook alleen maar zo goed of zo kwaad als het gaat zijn eigen act op, in de hoop dat die in de smaak valt.
Nabokov, V. : Lolita ; € 12,50 C'est pas ma faute‘Lolita, light of life, fire of my loins. My sin, my soul (…) You can always count on a murderer for a fancy prose style.’ En inderdaad, Humbert Humbert, het hoofdpersonage van Nabokovs ‘Lolita’, kan het mooi zeggen. Het hele boek is in feite een groot betoog om uit te leggen aan de rechtbank waarom hij een moord heeft begaan. Het is echter niet alleen een betoog, het is ook een ode aan zijn muze, zijn ‘nymphet’, die zoals hierboven al bondig staat, zijn zonde, maar ook zijn ziel behelst. Een klaagzang is het eveneens, aangezien hij haar verliest en ook omdat alle nymphets volwassen vrouwen worden die hun betoverende charme van kinderlijke naïveteit vermengd met manipulerende verleiding verliezen en daardoor voor arme Humbert Humbert oninteressant worden. Waarom dit boek lezen? Omdat het velen heeft beïnvloed. Schrijvers (zie bij voorbeeld de recensie van Art. 285b) hebben zich erdoor laten inspireren, liedjes zijn er gemaakt. Zong Alizée een paar jaar geleden niet: ‘C’est pas ma faute (…) Je vois les autres tout prêts à se jeter sur moi.’ (Het is niet mijn fout, ik zie de anderen, klaar om zich op me te werpen) ‘American Beauty’, ‘The Virgin suicides’, ‘Thirteen’, niet te vergeten de twee Lolita-films zelf en ga maar door- wat een moeite er niet wordt gedaan om door te dringen in de broeierige grenswereld van het tienermeisje. Waarom dit boek lezen? Omdat het zo mooi wordt beschreven. Prachtige zinnen en vergelijkingen rollen uit de mond van de moordenaar. Dat kan ook zijn keerzijde hebben. Af en toe kan je de draad kwijt raken in de vormgeving, maar toch, wat een pen… Waarom dit boek lezen? Omdat het op het randje is. Hier probeert een man met pedofiele neigingen begrip te vinden voor zijn afwijking en voor zijn obsessie voor een meisje, een kind nog, zij het bepaald niet onschuldig. Soms krijgt hij het voor elkaar om medelijden op te wekken. Soms slaat die om in verachting en beklaag je Lolita. Zelden ben ik een ironischer personage tegengekomen dan Humbert Humbert. Zijn spel met zijn eigen persoonlijkheid maakt hem bij vlagen sympathiek. Je weet niet wat je ervan moet denken. Het is akelig, maar fascinerend. Uiteindelijk is niemand echt sympathiek in dit boek. Het is niet zijn fout, het is niet haar fout. Verwacht geen uitsluitsel, zo makkelijk is het niet. Het is een verhaal, en een goed verhaal. Daarom dit boek lezen.
Krauss, N.: De geschiedenis van de liefde; € 12,50 Leopold Gursky is een man wiens leven is afgepakt: zijn vrouw, zijn zoon, zijn boek, alles is door anderen ingepikt. Hij is in de Tweede Wereldoorlog vanuit Polen naar de Verenigde Staten gevlucht vanwege zijn Joodse afkomst. Hij leeft teruggetrokken met zijn kleine dagelijkse gewoonten en beslommeringen, nauwelijks in staat tot contact met de buitenwereld. Beetje bij beetje krijgen we te weten wat hem overkomen is. Net zoals we beetje bij beetje Alma Singer leren kennen. Een vijftienjarig meisje met een broertje dat denkt dat hij de verlosser is en een moeder die het verdriet over de dood van haar echtgenoot en Alma’s vader niet heeft kunnen verwerken. Alma maakt lijstjes in haar dagboeken, beschrijft net als Gursky wat er gebeurd is of moet zijn. Ze gaat op zoek naar de herkomst van haar naam die komt uit een enigszins enigmatisch boek met de titel “De geschiedenis van de liefde”. Dit boek heeft haar vader ooit aan haar moeder gegeven. De laatste persoon met wie we van dichtbij kennis maken is de vermeende schrijver van dit boek, Zvi Litvinoff, net als Leopold Gursky een gevluchte Joodse Pool. Litvinoff is echter naar Chili gevlucht. Nicole Krauss vlecht de verhalen van deze drie mensen door elkaar en uiteindelijk blijken de drie strengen van deze vlecht hecht met elkaar te zijn verbonden. Hoewel de hele geschiedenis tamelijk triest is, wordt ze lichtvoetig en vooral met veel liefde beschreven.Een voorbeeld is een van de beschrijvingen die Alma geeft van haar dode vader: ‘Hij hield van koken en lachen en zingen, kon met zijn handen een vuur aan de praat krijgen, kapotte dingen repareren en uitleggen hoe je dingen de ruimte in moest schieten, maar binnen negen maanden was hij dood.’ De beschrijving van de hardheid van gebeurtenissen die ons nu eenmaal kunnen overkomen wordt niet uit de weg gegaan, maar deze wordt niet overgedramatiseerd, wat fraaie en tedere beschrijvingen van hele menselijke mensen oplevert. Hartverscheurend is het verhaal van Alma’s broertje Vogel die door limonade te verkopen op straat geld bijeenspaart om naar Israël te kunnen vliegen, want waar moet je anders heen als verlosser. Het wachten is, zoniet op de verlosser, dan in elk geval op de volgende Krauss! (Hester Meuleman)
Terug naar overzicht
|