Godenslaap (klantentip)

 

Mortier, E.: Godenslaap; € 19,90 
Wie Erwin Mortier zegt, zegt teksten vol heimwee en verlangen naar vroeger. In zijn laatste roman 'Godenslaap' is het niet anders; grootste verschil met eerder werk is dat er deze keer geen man maar een vrouw aan het woord is. Ze heet Helena en is op de leeftijd om te sterven. Met een schrijfplank op schoot noteert ze haar herinneringen aan de belangrijkste periode uit haar leven: de jaren van de Eerste Wereldoorlog toen ze volwassen werd en haar latere echtgenoot ontmoette.

Maar bij Mortier gaat het altijd om meer dan alleen die ene specifieke historie: zijn personages hanteren de pen ter bestrijding van de vergetelheid. Niets mag verdwijnen; elk gebaar, elke smaak, kleur of geur moet bewaard blijven. Voeg hierbij het Vlaamse - en in dit geval ook Noord-Franse -decor waartegen de verhalen zich afspelen en ik ben verkocht. Daarbij besef ik dat ik last heb van een (vals?) soort romantiek dat nuchtere noordelingen wel voor het Belgische koesteren. Ik wil het land maar al te graag zien zoals Mortier dat schetst met zijn herenboerderijen vol koele kamers en warme keukens en op het erf schaduwrijke bomen waaronder de familie op zondagmiddag aanschuift voor een goed maal. Dat klinkt paradijselijk, maar als altijd is er ook weer die schrille toon die verwijst naar de Belgen als oorlogsdeelnemers. Is het in een eerdere roman slechts een vaag familiegeheim rond een aan het Oostfront gesneuvelde oom, in 'Godenslaap' krijgt de lezer het krijgstoneel in volle omvang voorgeschoteld in de vorm van de loopgraafgevechten bij Ieper en Diksmuide.

Aanvankelijk hebben Helena en haar moeder en broer Edgard trouwens niet eens zoveel last van die oorlog. Ze zijn gestrand in hun Franse buitenhuis, door het slagveld afgesloten van vader die in hun Vlaamse woonhuis is achtergebleven. Maar het deert niet, want de zomer is mooi en de strijd niet meer dan wat rookwolkjes en lichtflitsen aan de horizon. Het enige ongenoegen wordt gevormd door de vaste strubbelingen tussen de spontane Helena en haar strikte, nog zo negentiende-eeuwse moeder. Maar dan komen de krijgshandelingen toch dichterbij: een afzwaaier treft een dorpsmeisje, de knechten van het landgoed gaan in dienst om nooit meer terug te keren en ook Edgard trekt ten strijde.

In feite zijn dit gebeurtenissen zoals we die allemaal kennen uit de geschiedenisboekjes, maar over dat stereotiepe beeld van de oorlog wil Mortier het nu juist niet hebben. Hij wil schrijven over het wonderlijke feit dat het dagelijkse leven in zulke tijden gewoon doorgaat en ook de liefde zich door al die gruwelijkheden niet laat dwarsbomen. Het is een mooi gegeven, dat maar al te vaak ondersneeuwt wanneer de geschiedschrijving het overneemt. Gelukkig dus maar dat we romans hebben als 'Godenslaap'. En gelukkig maar dat we Mortier hebben, die het allemaal zo mooi kan vertellen. (Noortje)


 Cheever, J.: Verhalen, uitgeverij Atlas (eerder verschenen bij de Arbeiderspers)
Amper had ik de Tuinscheurkalender 2007 uit ('Ik heb oudejaarsavond altijd gehaat'. Ingelijks, mijnheer 't Hart. Ook al kun je dan fijn je tuinvuil in de fik steken zonder dat de milieupolitie op je nek springt), of ik snelde naar de bibliotheek en vond daar 'Verhalen' van meesterverteller John Cheever. Dat was op 8 april.
Er moest een verlenging aan te pas komen, morgen is de termijn voorbij en nog ben ik niet bij het einde. Ik wil alles lezen, ad een verhaal per avond, of desnoods een per twee avonden, en het zijn er 29.
Van verhalenbundels word ik vaak een beetje moe, van de kluifjes uit tijdschriften en de verzamelde restjes uit andere bundels, maar dat is hier niet aan de orde. Niet moe.
Cheevers personages zijn tamelijk gewone mensen met een kleine obsessie die ze gaat opbreken, of tamelijk gewone mensen die met overgave om hun eigen as cirkelen, wat ze natuurlijk ook opbreekt. Er wordt niet veel gelouterd, er wordt niet veel gepraat, er wordt neergezet. Niemand is arm, ieder heeft een tamelijk gesetteld leven en de nodige bijbehorende zelfgenoegzaamheden, men verveelt zich een beetje en een klein scheurtje doet dan wonderen in een verhaal. Dat kan de achteloze directeur zijn die zijn vage secretaresse misbruikt en later ontdekt hoeveel macht zij heeft, dat kan de gelauwerde poëet zijn die van hoogstaandheid aan elkaar hangt en toch opeens vunzige limericks moet schrijven, dat is lieve oude vriendin Laura die een doodsengel blijkt te zijn of de oppas die een keurig burgerleven door elkaar rammelt.
Je moet Cheever niet in de zon lezen, op het strand, maar bijvoorbeeld bewaren voor regendagen. En dan langzaam lezen, want zijn taak is heel geserreerd en vol droge humor. Het is geen vakantieboek, wil ik maar zeggen, maar een bewaarboek om later te herlezen. Het gaat mij 60 cent boete kosten. Maar daarna heb ik een echt bewaarboek klaarliggen, een waarvan je nu al kunt zeggen dat het een cultboek wordt. T.S.Spivet: ik kom erop terug. (Annet Planten)

   Lewycka, M.: Twee caravans & Dickner, N.: Nikolski
Ik kwam de kerstdagen door dankzij twee boeken, waarvan de ene van de plank gegraaid wegens de titel. 'Twee caravans'. Twéé. Een is al zo'n heisa, vooral als je er 's winters ook in wilt zitten. Het andere boek heeft als leitmotif vis, afval en landkaarten, alvast aanbevolen voor de echte boekofiel. Daarover later. Hoewel 'afval' even verklaard moet worden: bedoeld wordt de archeologie van de toekomst (de vuilniszakken van nu) en weggegooide printplaten enzo: uit de zooi van nu plak je zó een werkende pc in elkaar. Met veel vallen en opstaan wel 73.
Als je niet kan wachten, en dat kan ik me voorstellen, dan is dit een boek over Joyce, Noah en iemand die een beetje onderbelicht blijft, zijnde de ik die een kompas met een afwijking van 34 graden west om zijn nek draagt en in het tweedehands boekwezen zit.
Joyce werkt in een viswinkel, weet alles van vis en hacken, het laatste dankzij gejatte computerboeken uit de tweedehands winkel. Joyce éét ook alleen maar vis, maar nergens staat een handig viskompas-lijstje van foute vis, al is er wel een opsomming van de voedselketen die eraan te pas komt om een stuk blauwvin-tonijn (FOUT!) van 2 1/2 kilo op het ijs van de vistoonbank te krijgen. Tonnen plankton. Toch eigenaardig dat we nog geen kruimel tofu van plankton kunnen maken en wel benzine, maar dit terzijde. Noah volgen we vanaf de dag dat hij zichzelf de camper van zijn moeder uitschopte, via een studie inheemse volken (omdat je niet kunt afstuderen in afval) naar Isla Margarita, met niet-zoontje van wel-vriendin Arizna die ooit binnenstapte bij de tweedehands.. maar ik dwaal af.
'Twee caravans' moet je niet lezen als je wel eens kip eet (of aardbeien), en ook niet als seizoensarbeiders in Engeland, mensenhandel, een sprekende hond en sappige doch droge humor niet aan je zijn besteed. De auteur, Marina Lewycka, scheef volgens het omslag ook 'Een korte geschiedenis van de tractor in de Oekraïne' en die wil ik nu direct gaan lezen, zo leuk is 'Twee caravans', al hou ik niet van eind goed al goed, wat niet waar is want er vielen net nog twee doden. 'Nikolski' van Nikolas Dickner eindigt iets zachtzinniger, met de totale uitverkoop van de tweedehands boeken, al was toen net verwoestend noodweer uitgebroken in Venezuela ter hoogte van Margarita en was Joyce, die al toen ze klein was piraat wilde worden, met een hoofd vol gepfischte pin- en creditcardnumers gesignaleerd op het vliegveld, op weg naar de Dominicaanse republiek waar, dat verzin ik want het is een open einde, de groots frauderende grootvader van Arizna iets te zoeken heeft..
Je moet het natuurlijk zelf weten, maar als het binnenkort weer zo'n ellenlange kerstperiode wordt: twee boeken tegelijk lezen! 
(Annet Planten)

Eerdere tips van klanten


Hall, S.: De vrouwen van Carhullan, € 19,95
Winterson, J.: De stenen Goden, € 19,90
Jeanette Winterson heeft eigen site http://www.jeanettewinterson.com (let op .com), mét horoscoop en maandelijkse column en een link naar d'r eigen groentewinkel 'Verdes'. W woont op het platteland waar ze sinds een tijdje organisch moestuiniert, maar ook in Londen omdat er iets met Gemini en de Zon is dat haar daarheen drijft, zoals wild stadsleven boven de groentewinkel en vermoedelijk om haar vriendin te laven met bleke wortelachtigheden die 'turnip' heten. Vriendin Deborah Warner, regisseur, is sinds kort Commander of the British Empire en werkt al jaren samen met actrice Fiona Shaw. Nee? Petunia Dursley? Van de Harry Potter-films? Die. Fiona woont met Saffron in Essex, samen speelden ze het koppel uit Jeanettte's 'The Powerbook', regie Deborah.
Zo. Dat moest er even uit.
Sarah Hall
    Het is toch raar dat ik niet van sf hou en achter elkaar twee boeken uit dat genre las, min of meer blind van de plank getrokken. Sarah Hall's 'De vrouwen van Carhullan' gaat over een zij die ontsnapt aan het Totalitair Gezag dat na de ineenstorting van Engeland de resterende bevolking op een beheersbaar kluitje heeft gedreven. Ergens daarbuiten zijn nog wat mensen, zonder sofinummer en dus bestaan ze niet, waaronder een gemeenschap van vrouwen die in een ruig, bergachtig landschap geheel selfsupporting is. Daarheen! En omdat het met dissidenten onder een Centraal Gezag nooit goed afloopt, loopt het door drastische maatregelen niet goed af. Al blijft 1 deur op een kier staan.
    Dat Gezag komt terug in Winterson's De Stenen Goden. Ook hier is Engeland cq de wereld na 3Oorlog geheel gemangeld, ook hier een concentratie van mensen in één stad, al is dat dan high-Techstad en na een zone niemandsland de ID-loze vrijbuiters en minderheden van Wegstad, met attracties als drank en sardientjes-in-olie en nóg verder weg de radioactief besmette paria's. Leer je bij Sarah Hall terloops een hoop over landbouw en vuur stoken, bij Winterson word je onderwezen, want die is niet van de straat. Sterrenkunde, economie, robottechniek en het hele klimaatprobleem komen aan de orde. Centraal staat Spike, een robot met prachtige damestrekken, gebouwd als prototype van een robo-sapiens die data verzamelt, analyseert en neutrale conclusies dient te geven. Ten tijde van de dino's werkte ze op zonnecellen, maar dino's waren link, weg ermee, stuur er een asteroïde op af die ietsje uit koers raak, klaboem, inslag dichtbij, zonsverduistering, ijskou. Wat doe je als robot met snel afnemende zonne-energie? Besparen, overtolligheden losschroeven, zoals ledematen. De verteller uit dit eerste deel, Billie, zit tenslotte met alleen een hoofd op schoot en ook dát sterft waarschijnlijk af, zoals ook Billie zal afsterven van de kou. Dat hoofd, uit wat een losstaande roman-helft lijkt, heeft in het vierde deel, dat van de na-3Oorlog, geen ledematen nodig, al is het daarmee in sommige omstandigheden knap hulpeloos. Een hoofd kan niet rennen, laat staan omarmen.
    Centraal staat natuurlijk Billy, overlever van een scheepsramp te Paaseiland in wat een tweede los verhaal lijkt, en Billie de programmeur alias opvoeder alias de benen van Spike. Billie is een dame, dit voor de zekerheid. Na een uiteenzetting over eenzaamheid, Odysseus en een gevonden manuscript over Stenen Goden (Spike moet tenslotte voortdurend leren) zegt ze: '(..) Ik heb op mijn rooster staan dat we vandaag aan Mobiele Dataherkenning gaan doen' 'Wat is dat?' 'We gaan een eindje wandelen'.
Over zulk ambtelijk gezwatel schiet ik in de lach, en dat deed ik bij tijd&wijle wel meer. Aan taal geen gebrek, maar een schep minder wijsneuzige colleges was leuk geweest... De wandeling leidt tot een ommetje buiten Tech-stad, het ommetje tot de ontmoeting met de semi-oude wereld erbuiten en de verzwegen radioactieve ellende, tot de noodtoestand wegens ontvoering van een robo-sapiens door wat ongetwijfeld een terrorist is of tenminste een terroristische beweging en dus tot drastische maatregelen van het Centraal Gezag, tot de ontdekking van een lymbisch systeem in een Hoofd en tot een briefje in een aangespoelde fles uit de tijd van de dino's.
    Alles repeteert, zei Billie al en als je dat nou nóg niet wist moet je eerst Sarah Hall lezen en daarna De Stenen Goden. En dan eens zien wie er blijft hangen, punt com of niet.
(Annet Planten)

 Brink, M. v.d.: Over het water; € 10.00
Ik weet niet wat het is tegenwoordig, maar er worden zoveel boeken gepubliceerd dat het soms lijkt of ik me eerst door een rijstebrijberg heen moet eten voor ik iets van mijn gading vind. Van school kende ik al een paar juweeltjes – 'Titaantjes' van Nescio, 'Bint' van Bordewijk, de verhalen van Belcampo, 'Kaas' van Elsschot, 'Nooit meer slapen'  van W.F. Hermans en zo nog wat meer -, maar die werden me simpelweg voorgeschoteld en daarna moest ik het toch echt zelf doen. Dat werd dus flink doorlezen (dooreten?) om zo nu en dan die ene roman, dat ene verhaal te ontdekken waarbij je adem stokt en alles en iedereen gewoon even moet wachten, omdat eerst dat boek uit moet.
Die ervaring had ik met Over het water van H.M. van den Brink. Zomaar een novelle, een klein boekje over Anton en David, twee – ja, toch ook weer - aardige jongens die samen een team vormen in een wedstrijdroeiboot en gaandeweg de tijd steeds beter op elkaar ingespeeld raken. Het stel is samengebracht door een trainer met oog voor de sport. Een weldoordachte combinatie dus, maar toch ook een klein wonder, want Anton is een arbeidersjongen uit de Diamantbuurt en David lid van een rijke familie die aan de rand het Vondelpark woont. Desondanks lijken ze voor elkaar geschapen, een basis van waaruit Anton ook persoonlijk groeit. En dat is uiteindelijk te zien, wanneer ze de een na de andere wedstrijd winnen; zelfs de Olympische Spelen komen in beeld.
Maar dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en worden de Spelen afgelast en verschijnt op een dag ook David niet meer. Pas bij die passage viel bij mij het kwartje, zó had ik op de bank mee zitten roeien: hoe harder die twee gingen, hoe sneller ik las. Geen moment eraan gedacht, dat David joods was.
Anton’s wereld stort in en het lijkt erop dat hij de Amstel in zal springen om nooit meer boven te komen. Dit laatste staat trouwens niet in het boek, maar Van den Brink speelt zo indringend met bepaalde motieven dat deze interpretatie gerechtvaardigd lijkt. Vooral de beschrijvingen van het water in het verhaal zijn daar debet aan: woelig en levendig wanneer die twee over het water schieten, ijzig en doods wanneer de stroom tijdens die strenge laatste oorlogswinter op het punt van bevriezen staat. Helemaal alleen staat Anton dan op de steiger van de intussen onttakelde roeivereniging en het water aan zijn voeten heeft dan toch wel erg veel weg van de Styx, de Grieks-mythologische rivier die men op weg naar het dodenrijk moest oversteken.
Heel droevig allemaal, maar toch een van de mooiste verhalen van wat vriendschap met een mens kan doen. Hoog tijd het boek weer eens op te slaan.
(Noortje)
 Honig, T. & Boven, S. van: Het boekje dat helemaal! verkeerd afloopt; € 14,90 Uitg. SWP/NINO
Soms kun je 'zinnenverzinzin' hebben, volgens Joke van Leeuwen. En dan laat je zinnen, woorden, klanken, emoties, gevoelens, kleuren naar buiten stromen door je pen.
Een prikkelende zinnenverzinzin aanleiding is Het boekje dat helemaal! verkeerd afloopt. Het begint zo:
'Boekje, jij bent een bijzonder exemplaar; vol mooie gedichten', zegt vader. 'Net als elk boek zul je de weg naar de boekwinkel moeten vinden.' 'Wees zuinig op je woorden', zegt moeder. En uitgezwaaid door zijn ouders stapt Boekje de wijde wereld in.
Hij loopt en loopt en komt voortdurend mensen tegen die hij kan helpen door ze een passend gedicht te geven van bijvoorbeeld Sjoerd Kuyper, Joke van Leeuwen of Theo Olthuis. Eenmaal aangekomen in de boekwinkel is Boekje dan ook een lege band, een boek van niks volgens de boekhandelaar. Kon Boekje maar gevuld worden met nieuwe gedichten!
En dat kan. Kinderen (en misschien ook volwassenen) kunnen hun gedichten op de site van www.hetboekje.com. zetten. Op de site vinden ze ook informatie over de dichters van wie in Het boekje dat helemaal verkeerd afloopt een gedicht staat. Ook nog lang na de kinderboekenweek een stimulerend en uitdagend taalidee. (Trude van Waarden)

 Verhelst, P.: Tongkat
‘Schrijf eens een stukje voor onze site,’ zei de juffrouw van de boekhandel terwijl ze op het internetadres op mijn kassabon wees. ‘Dat zou leuk zijn. Andere klanten doen dat ook.’ Ze bedoelde natuurlijk een stukje over een boek waarvan ik genoten heb, want om nu te schrijven over een boek waarbij je je dood hebt zitten ergeren…  Dus zit ik nu op de bank met mijn laptop op een knie en probeer ik onder woorden te brengen waarom ik de roman Tongkat van Peter Verhelst zo mooi vind, ja zelfs een unicum binnen de moderne Nederlandse letterkunde. Poeh! Ik krijg het er warm van, wanneer ik dit zeg.
Waar gaat dat boek dan wel over. Tja, daar begint de ellende al. De inhoud is niet samen te vatten. De ondertitel zegt het eigenlijk al: het gaat om ‘Een verhalenbordeel’, een huis vol verhalen van allerhande allooi, een samensmelting van oude mythische vertellingen met sagen en sprookjes en voorvallen uit de twintigste-eeuwse geschiedenis. We ontmoeten Prometheus (die jong vermoord wordt), zijn vader Japetos, een meisje dat Ulrike heet – inderdaad, zoals die Ulrike van de Bader-Meinhofgroep. We ontmoeten krakers, rebellerende stedelingen, jongens die stenen gooien als Palestijnen in Israël, naziartsen, de Argentijnse Dwaze Moeders, een koning die verdacht veel lijkt op de kuise en gelovige koning Boudewijn van België, en wie al niet meer. De figuren komen samen in een wereld die na Prometheus’ dood geteisterd wordt door een godsgruwelijke ijstijd, omdat met de schenker van het vuur ook de warmte is verdwenen. Maar de warmte wordt herontdekt, al is dat uiteindelijk geen reden tot juichen. Want ten gevolge van de intredende dooi overstroomt de wereld en verdrinken haar bewoners. Op twee na. Maar hoe het hen vergaat, wordt niet meer verteld. Wie weet, begint alles weer opnieuw.
Maar er is meer dat het boek van Verhelst zo bijzonder maakt. Het is ook de stijl: zo gedreven, zo flamboyant, zo sprookjesachtig, zo poëtisch, zo uitdagend, zo origineel, zo meeslepend, zo adembenemend mooi soms. Beter de eerste zinnen citeren om te laten zien wat ik bedoel: ‘Dat jaar was de ijzige kou een slang die beet naar je hielpezen of naar je neerhangende handen, om zich daaraan op te trekken. Opklimmend langs je ruggenwervels. Kronkelend langs je hals. Tussen je lippen door. Als gelatine steven je hersenen op in de beenderwitte kom van de schedel. Als woekerden diamanten zette die kou zich op je tanden vast. Je hele lichaam nam de kleur aan van gestold kaarsvet. Dat jaar klopte de vrieskou ons land met één vuistslag duizenden kilometers noordwaarts, zodat de woorden als kristallen op onze tong kleefden. Dat jaar waarin de horloges stokten en stilvielen. Het jaar nul.’ Dat is toch om het koud van te krijgen!
(Noortje)

 Het ultieme boek
Er zijn van die boeken die je gelezen moet hebben.
Also sprach Zarathustra van Nietzsche schijnt er zo een te zijn, een meesterwerk.
Ik heb het toen ik studeerde eens gekocht, ambitieus als ik was, koos ik toen zelfs voor de oorspronkelijke Duitstalige versie. Het bleef ongelezen liggen omdat de kleine lettertjes, de gekunstelde zinnen en het Duits me afschrikten. Onlangs werd het me weer aangeraden en besloot ik het toch eens te lezen. Ik ruimde mijn boekenkast er zelfs opnieuw voor in, maar het boek bleek verdwenen. Nergens te vinden.
Misschien was ik het bij een van mijn elf verhuizingen kwijtgeraakt, of had ik het eens op een verjaardag weggegeven bij gebrek aan een voor de jarige in kwestie uitgezocht cadeau. Ik moest het opnieuw aanschaffen, wat nog een hele opgave bleek te zijn. Nietzsches magnus opus lag in geen van de boekhandels die ik binnenliep.
Onderweg naar het park, op de eerste lentedag waarop het warm genoeg was om met een rustig gemoed slippers te dragen, fietste ik langs mijn buurtboekwinkel. Ik had al een Volkskrant Magazine bij me om iets te lezen te hebben, maar besloot toch even af te stappen om te zien of Zarathustra al de hele tijd om de hoek op me lag te wachten. Het was druk in de winkel. Ik beklom het trappetje naar de eerste verdieping, waar de filosofiesectie zich bevond. Nietzsche was al snel gevonden en tussen zijn werken pronkte Zarathustra me tegemoet. Een mooie uitgave; op de donkergroene kaft was een zwartwit foto van de wijsgeer gedrukt. Zijn hoofd, met karakteristieke borstelsnor, rustte op zijn rechterhand en hij keek wat bozig voor zich uit. Ik kon niet anders dan het kopen, nu ik het gevonden had. Aan de kassa reken ik het boek af. Veertien euro negentig.
Het is niet de vriendelijke oude dame die me vandaag helpt, maar een jong meisje. Ze draagt een wit t-shirt met schreeuwerige grote letters, die ik toch niet kan lezen. De vriendelijke oude dame vertelt bij het afrekenen vaak een wetenswaardigheid over het boek of de schrijver. Dit meisje verpakte mijn nieuwe eigendom zwijgend in een papiertje.
"Kunnen wij u helpen aan het ultieme boek?", hoorde ik de oude dame vragen.
Ze was er dus toch en deed daar iemand een niet te weigeren aanbod. Ik vond het meteen jammer dat ze de vraag niet aan mij stelde, maar aan een mevrouw die duidelijk verdwaald langs de planken liep. De meeste mensen in een boekwinkel lopen er vrij verdwaald rond. Hoeveel van hen zou thuiskomen met een boek dat ze nooit zouden lezen? Ik had het ontelbare keren gedaan; dan moest en zou ik een boek kopen, niet lezen.
Allemaal boeken met gevangen woorden, wachtend totdat ze bevrijd zouden worden door het omslaan van de bladzijden. Ik begon te vermoeden dat het met Nietzsche ditmaal niet anders zou gaan. Terwijl ik mijn boek in mijn rugzak naast de schroefdopfles rosé schoof, hoorde ik de verdwaalde mevrouw het aanbod netjes afwijzen.
" Ik kijk even rond, dank u wel".
" Mag ik dan?" , vroeg ik. Ik wilde het ultieme boek wel lezen.
" Maar natuurlijk", antwoordde de oude dame vriendelijk als altijd.
" Is het voor iedereen hetzelfde ultieme boek?" vroeg ik kinderlijk opgewonden.
" Nee, natuurlijk niet." zei de dame rustig. " Het is voor iedereen een ander boek. Normaal gesproken ga ik nu vragen stellen, maar bij jou weet ik het al."
 Ik liep verwachtingsvol achter haar aan naar een van de kasten.
Ze pakte een klein wit boekje van een van de planken en bestudeerde het liefdevol alsof het om een foto van een van haar jeugdherinneringen ging. Ik was verbaasd dat het zo'n klein ultiem boekje was. Als ik het ultieme boek vooraf had moeten tekenen, had het er dikker en donkerder uitgezien.
" Je mag het voorwoord niet lezen. Daarin geven ze alles al weg", zei ze.
Dat er blijkbaar iets weg te geven was, wekte mijn nieuwsgierigheid op.
" Waarover gaat het dan?" viste ik.
De dame begon een verhandeling over Virginia Woolf, die eens geprobeerd had Shakespeare begrijpelijk te maken voor het plebs. Ik luisterde maar half, omdat ik eigenlijk helemaal nog niet wilde weten waarover het ultieme boek ging. Dat wilde ik zelf ontdekken en eventuele teleurstelling moest zo lang mogelijk worden uitgesteld. Wat ik wel opving deed me vermoeden dat het boek een rijke geschiedenis vertegenwoordigde, waardoor het nog ultiemer en mysterieuzer werd.
" Ik zal er verder niet te veel over zeggen", besloot de dame, "Je moet er maar mee op een terras gaan zitten". 
Zorgzaam bond ze het voorwoord af met een postelastiek, zodat ik het echt niet zou lezen. Ik reken nogmaals veertien euro negentig af. Alleen de verwachting is al vele malen meer waard. Ik kon niet wachten om in het park aan het ultieme boek te mogen beginnen.
Nietzsche zou het vast begrijpen.
(Hula)

Richardson, C.S.: Aan het einde van het alfabet; € 17,50
Uitgeverij Arena heeft ons van een prachtboekje voorzien, te beginnen met het omslag. Dat is weliswaar van A tot Ypsilon overgenomen van het originele cover, maar het geheim zit in de staart: het elastiekje. Doubleday's Kenny Hill maakte er een gedrukt elastiekje van dat een boel blaadjes bijeen houdt. Arena gaf haar fiat aan een echt elastiekje dat je vanaf het achterplat om het boek kunt trekken. Dat stapelt helemaal niet handig, maar doet wel het meest denken aan een Moleskine, een hysterisch duur merk opschrijfboekjes met, in de klassieke uitvoering, zacht vel en het elastiek om de boel bij elkaar te houden. En het is nogal wat dat hier bij elkaar moet worden gehouden.
Ambrose Zephyr krijgt te horen dat hij nog een maand te leven heeft en grijpt ijlings naar zijn koffer. Nog een maand: dan als een gek reizen om nergens over na te denken, en wel naar plaatsnamen volgens het alfabet. Zijn vrouw Zappora Ashkenasi, kortweg Zipper, vindt het een onwijs plan maar laat hem niet alleen. Twee belangrijke banen worden pardoes achtergelaten, wat direct twee vervangers oplevert en dus is niemand onmisbaar. Dan wordt het van Amsterdam (waar Zipper een notitieboekje koopt) over Gizeh naar misschien wel Zanzibar. Bij de I van Istanbul breekt er iets: Ambrose moet toegeven dat hij bang is, dat hij Zippers bezorgdheid uit de weg ging en haar in deze cruciale tijd uit angst op afstand houdt. Bovendien kan hij niet meer op z'n benen staan. Je kunt ook in je hoofd op reis, dus keren ze terug naar hun brave rijtjeshuis en daar fantaseert Ambrose de onbekende MNOPQRST en U in een klein hoofdstukje. Voor de V herinneren ze zich hun eindeloze dromen over Venetië en de uiteindelijke ontdekking dat het er naar rotte vis stinkt, en zo komt na de V de Z. Na de Z zit Zipper op het stoepje van de voordeur, opent het notitieboekje en begint te schrijven: 'Dit verhaal is onwaarschijnlijk'.Het boekje is gezet in een letter die Filosofia heet. Dat is heel passend bij de inhoud, die bijna Brits van luchtig understatement is voor vaak zware kost, waar je over moet glimlachen of gewoon even lachen en waar in 150 bladzijden twee levens bij elkaar komen en weer opbreken. Zo gaat dat. Maar het is, getuige het bestaan van een kameel op bladzij 102, nooit voor niets.
(Annet Planten)

 Torday, P.: Vissen op zalm in Jemen; € 18,95
Je zal daar Fred Jones heten en al jaar en dag naar hetzelfde werk sjokken, een visserij-onderzoeksinstituut. Fred is wetenschapper en heeft precies één publicatie op z'n naam staan over een muizig onderwerp. Twintig jaar verstandig getrouwd met carrièrevrouw Mary en zowel werk als Mary zullen wel voortsudderen. Verveel ik me?, vraagt hij zich even af. Nee, het is wel prima zo.
Als een sjeik uit Jemen het plan heeft opgevat om op zalm te willen vissen in een jemenitische bergkloof wordt Fred's mening gevraagd. Hij zegt wat elke wetenschapper zou zeggen: op zalm vissen in Jemen lijkt ons, gezien de geografische ligging, de aard van de soort, de instincten en het gebrek aan verbinding tussen de Atlantische oceaan en een tropische bergkloof, ONmogelijk. Punt.
Daar denkt de spindoctor van de minister-president heel anders over. Na het debacle in Irak kan het land, in casu de minister-president, wel een opstekertje gebruiken: breed uitgemeten non-nieuws over zalmvisserij in Jemen, 's lands trots en beschaving geëxporteerd naar een heel ander onderontwikkeld islamitisch land, de minister-president met een werphengel midden in de woestijn, breed lachend en handen schuddend: spindocter ziet de electorale winst al helemaal voor zich, zodat Fred aan het eind van het liedje de keuze krijgt: opzouten bij het visserij-onderzoeksinstituut of een rapport schrijven dat ja zegt, ja, zalm vissen in Jemen KAN. En er vervolgens met steun van een beeldschone projectmanager voor zorgen dat de zalm er ook echt gáát zwemmen.
Een dikke pocket later weten wij allemaal dat dat kan. Het levert geen electorale winst op, maar dat doen fotosessies van ministers op werkbezoek toch al nooit. Het levert alleen iets op voor Fred Jones, die aan iets onmogelijks begint, erin begint te geloven en het mogelijk ziet worden. Hij leert een uitspraak van de sjeik begrijpen: faith comes before hope, and before love.
Kort na elkaar heb ik vier boeken gelezen over de zoektocht naar geluk. Of liefde, het verschil is klein. Alle vier kreeg ik ze kado, tot en met een werkje bijeengeschraapte zinnen uit het oeuvre van Jung. Ik heb de gever dezes hartelijk bedankt en dacht intussen 'de nood is hoog, maar er kan nog meer bij'. Als ik niet het soort lezer was dat pockets dubbelvouwt en er mijn koffiekopje op parkeer, zou ik deze zalm-historie als oppepper teruggeven. Snel geschreven, tjokvol email, achterkamertjespolitiek, hihi-momenten en net als je denkt dat je iets op je klompen aan voelt komen gaat het tsják, de andere kant op. Leuk boek voor bange dagen!
(Annet Planten)
 Niekerk, M. van: Agaat; € 12,50
Het leven op Grootmoedersdrift, het boeren op de plaas, de Zuid-Afrikaanse boerderij met veel bijgebouwen, waar het land naast de rivier te nat is, de paarden mok krijgen en de hellingen in contouren moeten worden geploegd, is een strijd met de elementen. Het waait, de rivier stroomt over, het is te droog, de koeien eten wilde hyacinthen waar ze aan dood gaan, de schapen krijgen een ziekte; er is aandacht en liefde nodig om die plaas tot bloei te brengen.
Milla de Wet, geboren Redelinghuys en haar man Jak gaan die strijd aan en tegelijkertijd is het ook hun persoonlijke strijd. De plaas en het boeren zijn Milla vertrouwd; Jak is niet gewend aan het boerenleven. In de ogen van Milla neemt hij bij voortduring verkeerde beslissingen die fataal uitpakken. En zo gaat het ook in hun huwelijk dat nog meer strijd kent, de strijd om Agaat en hun zoon Jakkie. Agaat het zwarte, misvormd meisje dat door Milla binnengehaald is en bijna de plaats krijgt van een eigen kind, maar ingezet wordt als huismeid bij de komst van het eigen kind. En dan is er de strijd tussen Milla en Agaat om Jakkie, en na de vlucht van Jakkie, de dood van Jak en het begin van de ziekte van Agaat.
In dagboekfragmenten, herinneringen, bespiegelingen over huichelachtige vriendschappen, beproevingen, beschrijvingen van het boerenleven, confrontaties en ontwikkelingen in het politieke klimaat van Zuid-Afrika word je als lezer meegesleept in een leven dat langzaam door ziekte letterlijk steeds verder verlamt tot de dood er op volgt.
Maar wat een prachtig verhaal. Niet om in één adem uit te lezen, maar in kleine stukjes tot je te nemen, zodat je de angst van Jak, de onzekerheid van Milla, de bitterheid van Agaat meevoelt, de geuren van de bloemen en kruiden kan ruiken, de ruzies meebeleeft en je bijna kan watertanden bij de uitgebreide maaltijden.
(Trude van Waarden)

KERSTGEWOEL 
"‘Sinds de verkiezingen begin juni van dit jaar in België is er immer nog gesteggel over een te vormen parlement.’ Wat bezielt men eigenlijk en welk een onverantwoordelijk primitief gedrag; waartoe leidt dit alles?” De Kerstman sprong op vanuit z’n fauteuil en smeet z’n krant in een hoek. “Eerst wil men uit elkaar en daarna wil men parlementsverkiezingen, ha - een doorbraak dacht ik nog, en ze hebben eindelijk begrepen, dat de methode Babylon ook niet werkt om een harmonische samenleving te scheppen, ze gooien het roer nu rigoureus om en worden een lichtend voorbeeld voor de hele rest van de wereld. Maar wat doen ze? Ruzie, ruzie en nog eens ruzie en dat gebeurt potdomme tegen het eind van ‘t jaar!”
Zijn hoofd stond op het punt van ontploffen toen de buurvrouw de kamer binnenstormde met de kin opgeheven en een vastberaden blik, eentje die geen tegenspraak duldde. ”Jan heeft de slede weer piekfijn opgelapt en er is een monter rendier voor een prikkie op de kop getikt, en nu nog de cadeautjes voor onder de boom; wat zullen we voor U inkopen dit jaar?”
“Belgen!” hief de Kerstman aan, “en ieder ander mens, wanneer houden jullie eens op met jullie primitieve gedoe en hoelang zal ik nog door weer en wind moeten reizen ten behoeve van de mensen en wanneer kan ik in godsnaam met pensioen of wacht mij er een akelig eind?“
“Met geschreeuw is nooit iets goeds bereikt ,“ suste Truus en duwde hem met zachte hand terug in z’n fauteuil en voerde hem een chocoladekransje.
 ‘Laat ze toch dat laatste boek van Maarten ‘t Hart lezen over een dieet voor dovemansoren; dat is een heel nuttig boek voor de mensheid!”
“Zalm wordt zoveel gegeten,dat kwekerijen noodzakelijk geacht worden, mompelde de Kerstman, en die worden nu verorberd door miljoenen kwallen, want die lusten ze ook hoor!”
“En dan heb je nog de zeespiegel die stijgt en iedereen loopt maar te jeremenieren en ondertussen geld op te halen voor schoner drinkwater en tegen armoede!”
“Tut -tut-tut,” viel Truus hem in de rede, “nou is ie wel mooi!”
Maar de Kerstman was niet meer te houden. en riep: “we hebben toch alle expertise in huis? Er kan een vliegveld in de zee worden aangelegd en het moet toch voor de heren ingenieurs een piece of cake zijn om die hoge zeespiegel te gebruiken als energiebron en binnenzeeën te ontwikkelen met zout, brak en zoet water waarin weer het nodige voedsel ontstaat enzovoort- enzovoort voor de ontwikkelingslanden, en weg zijn de zielige volkeren en dan wordt het wat gezelliger op aard.”
 “Daar zal best wel een boek over geschreven zijn, suste Truus, en lees nu maar dit fenomenaal geschreven moderne sprookje door Michael Frijda, waar de gebroeders Grimm met recht jaloers op zouden zijn geweest en je kunt het gerust enkele malen opnieuw lezen en dan verveelt het nog niet. Ik kijk gretig uit naar een volgend boek van deze schrijver.”
De Kerstman bedaarde en keek Truus vragend aan.
 “En daarna,”  vervolgde ze, “lees je gewoon De Leeuwerik, cultuurgeschiedenis van een lyrische vogel van Ton Lemaire; daar slaap je lekker op en een goede nachtrust kan je wel gebruiken, want je moet morgen vroeg op pad en wat voor cadeaus moet Jan voor je halen?”
De Kerstman keek dromerig naar de dwarrelende sneeuwvlokken buiten en antwoordde zacht: ”een boek, koop voor iedereen een boek.”
“Ook voor de man die naar de rechtbank ging om naar de uitspraak van de rechter te luisteren inzake Holleeder, omdat hij alle boeken over hem gelezen had, nl handboek Holleeder, De loodgieter en De ontvoering van Alfred Heineken?”
“Ja,juist die!”
(Dora Baanders)

 Haring, B.: Kaas en de evolutietheorie; € 9,00
Kaas en de Evolutietheorie is geschreven voor kinderen rond de veertien jaar. Met leuke tekst en eigengemaakte tekeningetjes legt Haring het evolutieproces uit. Het begin, met een cel die zich steeds weer deelt in andere cellen die zich daarop ontwikkelen tot wezens en planten, die zich dan aanpassen aan de omgeving waarin zij leven. Een leuk voorbeeld is dat van de ijsbeer, die langzamerhand wit werd omdat dat handiger was voor zijn leven in een witte omgeving. De dingen ontstaan naar omstandigheid of door toeval, dat weten we allemaal en het is leuk om de conclusies en de daaraan gekoppelde betoogjes te lezen. Zo van: er is nergens een natuurwet die zegt dat de minderheid moet luisteren naar de meerderheid; of: ambitie is een evolutionair ingesleten eigenschap; en: wat hitsigheid is voor de paardensoort is winststijging voor bedrijven.  
(Doortje)
 Edelfeldt, I.: Konijnenhemel en andere wonderbaarlijke verhalen; € 19,90
"Konijnenhemel', het titelverhaal, is een korte intieme vertelling over een meisje dat net haar moeder heeft verloren en dwars+woedend wegloopt bij
de familie die haar even opvangt. Ze wordt ingesponnen door het bos waarin ze loopt, door de vogels en het licht, door oplichtende konijnenstaartjes en tenslotte wordt ze stil; op deze prachtige plek komen de zielen van de doden om hun intrek te nemen in die konijnen. Het troost haar. Het wordt tijd om naar de levenden te gaan.
Inger Edelfeldt's personages wankelen allemaal op een grens, die tussen onzekerheid en lichte gekte, tussen asociaal en min of meer aangepast, tussen verliezen en misschien houden, op de grens van sexuele identiteit of gewoon op de grens van greep krijgen op je leven. Het zijn vooral meisjes en vrouwen, op een enkele dubieuze man na, die even worden uitgelicht en waarvan het helemaal niet zeker is of ze het gaan redden ja of nee. Soms valt het mee, zeker als je bij voorbaat ergens bang voor bent tot dat 'ergens' zich ook echt voordoet. Soms valt het tegen, echt behoorlijk, niet in de feiten maar hoe ze aankomen.
Ik kon me, al lezend, niet voorstellen dat een man deze verhalen zou begrijpen: ze spelen in een vrouwenwereld, die ontoegankelijk en versleuteld is voor de andere sexe. Maar u kunt het proberen, mijnheer..
Op de flap staat dat Edelfeldt's werk kan worden omschreven als een mengeling van Astrid Lindgren en Kafka. Toe maar. Niemand leest Kafka, dus stel ik een mengeling voor van Lindgren en Borges: poetisch, puberaal, labyrintisch, dicht op de huid. En vooral gaat het over onaangepaste meisjes. Lezen, mevrouw! 

(Annet Planten)


 Mills, M.: De verkenners van de nieuwe eeuw; € 17,50
Twee sombere boeken tegelijk gelezen: het kon niet op. Magnus Mills schotelde me twee expedities voor, die bijna tegelijk starten vanaf dezelfde plek en een donker, ijskoud, leeg en stenig landschap doorkruisen op weg naar -zoals een half boek later blijkt- het Overeengekomen Verste Punt van de Beschaving. Twee groepjes mannen, ezels voor het draagwerk. Er zijn geen aanwijzingen over tijd of plaats, men praat in eenregelige zinnen of nog korter.

Algauw las ik meer over de groep die een diepe rivierbedding volgt dan over de heren die nabije puinhellingen op- en afzwoegen, wat natuurlijk kwam omdat de riviergroep ideologisch wordt voortgestuwd. Die anderen lopen gewoon te lopen, niks aan. Er circuleert in de rivierbedding een Boek met een Theorie, die er in essentie op neerkomt dat de wereld gelukkig en welvarend is, nagenoeg af op een klein detail na: de ezels. Voor de ezels moet nog een oplossing komen, die volgens de theorie op het Overeengekomen Verste Punt ligt. Breng ze daarheen, kunnen ze een eigen land stichten, zijn wij van ze verlost.
Een verdronken ploeglid, twee verdronken ezels én hun bepakking later staat vast dat ezels kunnen zingen. Later staat ook vast dat ze kunnen praten, wat tot een scheuring binnen de manschappen leidt. Nog later wenst de praatziekste ezel het laastste stuk gedragen te worden, zodat de niet-verdronken tenten verzaagd worden tot een draagstoel. De laatste drie mede-ezels verdwijnen in de nacht, het water raakt op, hoe moet dat straks op de terugweg.. Een expeditielid wíl niet eens terug. Die wil blijven, bij Gribble de eisende-ezelin, met wie hij behoorlijk intiem is geworden. Samen kunnen ze gaan werken aan het opzetten van transportlijnen voor goederen van en naar de beschaafde wereld, toch?
Dan bereikt het gekgeworden clubje het Punt en ziet daar een vlag wapperen, neergezet door de andere expeditie.
Die heeft droogjes geconstateerd dat de plek onleefbaar is en is, met moeite want het stormt voortdurend, teruggelopen over het eigen spoor, realiseert zich dan dat ergens ver weg een groepje mannen ernstig in moeilijkheden zit en draait zonder aarzeling weer om.
Zouden de Verdonkjes en Wildertjes in dit land van Engels cynisme houden? Zouden ze de parallel kunnen ontdekken met kapitein Johns, bevlogen Theorie-aanhanger en natuurlijk absoluut niet bezeten van de ambitie om als eerste het Overeengekomen Punt bereiken? Ezel-theorie of niet?
Het tweede sombere boek heet Konijnenhemel, maar daarover volgende keer.

(Annet Planten)
 Sellers, J.: Perfect from now on – How Indie Rock Saved My Life
Wat te denken van een boek over popmuziek dat begint met de zin I hate Bob Dylan”? Iedere rechtgeaarde popliefhebber wordt immers geacht van Bob Dylan te houden? Ik bezit, vrees ik, alle officiële studio- en live-albums van Dylan, dus ik kan gezien worden als een liefhebber van zijn werk. Waarom dan toch een boek gelezen van een Dylan-hater? Vooral omdat het boek geen afrekening is met het werk van Dylan (eerder het afzetten tegen een vader die zijn absolute Dylan verafgoding door de strot van zijn zoon probeert te duwen), maar een zelfportret van een schrijver aan de hand van de ontwikkeling van zijn muziekvoorkeuren. Een beschrijving van de muzikale zoektocht vanaf zijn jeugd, die tot de niet geringe verbazing van de auteur ontaardt in een obsessie voor de band Guided By Voices, vergelijkbaar met de Dylan-obsessie van zijn vader. Een buitengewoon geestig geschreven boek met achterin tenslotte een aantal lijstjes, een prettige afwijking die meer boeken in het genre hebben.
Het is wellicht niet de perfecte fictie van Hornby's Hi-fidelity, maar voor de liefhebber een aanrader.

(Jeffrey Bosch)
 Dekkers, M.: Poot; € 6,98 & Zomeren, K.v.: Het complete Rekel boek; € 15,95 en: Mayle, P.: Een hondenleven (naar de Pinto!)
Over het algemeen is de west-Europese mensheid verdeeld in twee soorten: zij van canis en zij van felix. Er zijn hybriden die van beide wallen eten en uitzonderingen die het op kanaries of konijnen houden, maar dat is een niche. Canis en felix hebben de markt in handen: kijk maar bij de super.
Een van de felix-soort noemt zowel katers als poezen 'poezen'. Daar staan 'honden' tegenover, omdat daar geen schattigheidswoord voor bestaat. Honden zijn ook niet schattig, honden zijn lebberende loeders en smeerkezen van de bovenste plank. Het smakt en graait, het piest waar het zo uitkomt, het grijpt fietsers bij de enkels: allemaal dingen die poezen nooit zullen doen. Midas Dekkers kan daar een boek lang over uithalen, want die heeft het niet op hond en is notoir pro-kat. Ehh.. poes. In elk geval is hij notoir tegen honden die geen honden meer zijn, maar doorgefokte sleeporen, buikschuivers en tutjes-met-jasjes. Of in elk geval tegen honden als uithangbord voor baasje's gezindheid (briards: Volvo-klasse, bouviers; blanke partytent). Onder het gesputter en geblaas zit een bioloog die ongeveer een "Poot" lang toegeeft dat die honden het ook niet kunnen helpen dat hij het meer op poezen heeft. Van poezen leer je spinnen, met een hond profileer je je. "Een hond doet alles wat zijn baas niet mag en zo doet de baas het stiekem toch een beetje. Een hond is een wandelend protest tegen je eigen normen.(...) Juist dat hij drie maal daags vies doet, nooit met twee woorden spreekt en doet waar jij alleen aan durft te denken, maakt de hond tot de trouwste vriend van de mens. Zeg mij wie uw vrienden zijn.'
Daar moet de hond van Peter Mayle hartelijk om lachen. Honden kunnen niet lachen, maar Boy van Mayle wel. Sterker nog: die kan praten en is bovendien in het bezit van een tekstverwerker. Daarop schreef hij een heel boek over zichzelf, want hij had een slechte jeugd tot Mayle hem een zacht bed en de nodige scholing gaf, inclusief acht nagels blindtiepen. Boy beschrijft de wereld van de directie (mevrouw Mayle) en de wederhelft (mijnheer Mayle) die zich kenmerkt door veel dinerende visite, de buren (rare Fransen) en het dorp (raar Frans dorp), dat 'ergens' in het zuiden ligt (en wij weten wel waar). Zelden slecht weer, het leven kabbelt, snaai eens een filetje van tafel, loop eens een ommetje. Nou ja, van die dingen.
Als je zelf een hond hebt en van dolgrappig gejeuzel houdt over het vooral goede leven, ben je bij Boy aan het juiste adres. Geen greintje kwaad, echt niet, en ook niet smeerkezen. Nou ja, één keer, en die mislukte. Bonus: het hele boek door leuke krabbelillustraties van Edward Koren en die is beroemd.
Bestaan er dan nog echte boeken over echte honden? Jawel. Dan lees je Koos van Zomeren's 'Het complete Rekelboek'. Rekels dood sloeg ik over: dat kan bij boeken. Lees een aangedaan stukje in de hondenkrant  (ook dát nog!) en snel naar de winkel. Nog meer? Ik bladerde even door 'Mijn leven met Tikker' (1999) van Jan Siebelink en dacht Nee. Dank. Memento mori op elke hele bladzij en getob over ziektes op de halve: Tikker moet een boel oplossen. Dat kan natuurlijk niet. Hond Tikker is -intussen: was- een hond. Maar wil je weten hoe het met die vreselijke projectontwikkelaars in Ede is gesteld: lees dat boek.

Zo. En nu een ander onderwerp.
(Annet Planten)

  Dis, A. van: De wandelaar; € 17,90 & Lenferink, J.:  Ben in de stad; € 12,50
Sinds ik een 'hub' ben voor spaanse hondjes (ze vliegen mijn huis binnen, ik kalmeer en socialiseer en zomeer, tot ze worden geadopteerd en weer weggaan) ben ik bovenmatig geïnteresseerd in hondenboeken. Niet Toepoel's hondenencyclopedie of de werken van Gaus, maar het lopende leven, zonder plaatjes. In dat genre zijn twee belangwekkende boeken verschenen: van Dis' 'De wandelaar' en 'Ben in de stad' van Jan Lenferink. Ja, die.
    Over 'De wandelaar'is al zoveel geschreven dat ik niet weet wat ik daaraan moet toevoegen, behalve dan dat ik er moe van werd. Intensief hondwandelen máákt moe -tot de hond weer wakker is- maar de naamloze hond die de heer Mulder toegang verschaft tot de wereld van illegalen en daklozen is niet echt een opzienbarend fenomeen. Niet voor een binnenstedeling met hub-hondjes, ook niet voor een hondloze die goed om zich heen kijkt en de moeite neemt om af en toe eens met zo'n schichtige langsloper een gesprek aan te knopen. Dat kan. Ze praten meestal gewoon terug.
    Voor binnenstedelingen met drukke levens (kalmeren, socialiseren) die tussen de bedrijven door een stukje boek willen lezen of af en toe in lijn 2 klimmen (die gaat lekker ver, tijd genoeg voor een bladzij of 30) is 'Ben in de stad' een uitkomst. Het is een woordspeling, snap je wel? Jan Lenferink is op z'n slechtst als hij zijn grappige gebabbel aan je gaat uitleggen ('dit is grappig'), maar soms is hij een valse nicht -met een grote hond- en is zijn gekwek écht leuk. Met Ben schuift hij door de voor-Jordaan, etablissement in en uit, notitieboekje in de hand, ogen op scherp. Daarna schuiven ze naar huis om heet van de naald de bevindingen te evalueren en tot stukje te verwerken. Stukjes over BN-ners en éx-BNnners, dus over de mens achter de zonnebril die ook al mens werd bij van Dis, stukjes over niks of over zichzelf. Jan en Ben mogen het graag over zichzelf hebben en honden kennen geen schaamte, dus wil je weten hoe Ben in de stad troost en alibi biedt aan een langsloper: lees dat boek. Dat levert weer royalties op en al ruim voor de helft weet je hoe nodig die zijn. En práát met ze, voor het volgende boek!
(Annet Planten)

 Capek, K.: Het jaar van de tuinier; € 18,50
O god, geef (...)
dat er veel dauw mag zijn en weinig wind,
genoeg wurmen, geen luis en naaktslak of meeldauw,
en dat eens per week verdunde gier en guano
uit de hemel valt.
Amen.
Zo, dat is rechtgezet. Op bladzij 86 van 'Het jaar van de tuinier' staat een tuingebed. 'Onze vader, maak (...) dat er veel dauw en weinig wind is, voldoende wormen, geen bladluis, slakken of schimmel en dat er één keer per week met water verdunde gier en duivenmest uit de hemel neerdaalt. Amen'.
Alles goed en wel, maar guano is zeevogelpoep en geen duivenmest. Aan guano heeft slavernij en imperialisme gekleefd, wat je over duivenpoep niet kunt zeggen. In 1929, toen dit tuinboek werd geschreven, was guano gewilder dan kunstmest en annexeerde Amerika alle loslopende eilanden waar zeevogels het kostbare drek lieten vallen voor guanomijnbouw. Zoek op 'guano' of 'guanoact' en huiver.
'Het jaar van de tuinier' begint weliswaar ongeveer met januari, maar is geen logboek waarin de schrijver per maand verslag doet van tuinwel en wee. Capek zeurt in januari over het weer, over het weer en filosofeert vervolgens over het weer en de neiging om te gaan spitten in diepgevroren grond. Capek was een Tsjecho-Slowaak en daar vriest het behoorlijk, ook nu het twee landen zijn. Was het maar vast februari. 'Denkt u dat men in februari iets in de tuin kan doen?' 'Jazeker, zelfs al in maart'
Februari blijkt een misbaksel te zijn, een genieperd die er toch elke vier jaar gratis een dag bijkrijgt, een dag die eigenlijk naar mei zou moeten. Februari moet dus worden verbeterd, net zoals de grond die nooit deugt. De buren verbeteren, dus het wordt voorjaar, dus moet de tuinier ook verbeteren zodat ZIJN buren weten dat het voorjaar wordt. De hele rottige maand februari lang hou je je bezig met wat je allemaal moet aanslepen om te verbeteren en waar je het moet laten, vooral als je een zakdoek stadstuin hebt. Je tobt over kostbare, voedzame drollen van politiepaarden ZOMAAR op straat, je geneert je om ze op te rapen en plots hou je op met naar het behang somberen en is het de laatste dag van februari. Opeens merk je dat sneeuwklok en toverhazelaar al uitgebloeid zijn, dat alle overige knoppen zwellen en JA! 'Wij tuiniers laten ons door niets meer weerhouden: onze sappen stromen'.
Waarna een heel hoofdstuk wordt gewijd aan hoe de tuinier tuiniert: over het algemeen geheel opgevouwen en balancerend op twee tenen om nergens op te trappen. Of op handen en voeten, ernstig belemmerd door de aanwezigheid van een ruggengraat die nergens voor nodig is en alleen maar pijn gaat doen. Als een paard in de wei is de tuinier bezig, de kop naar beneden, en bewerkt de grond. Dat betekent  'enerzijds spitten, graven, omscheppen, wroeten, omwerken, effenen, nivelleren en golvingen aanbrengen,  en anderzijds zich met ingrediënten bezighouden. Geen pudding ter wereld heeft een complexere samenstelling dan tuinaarde. Voor zover ik weet, wordt er mest aan toegevoegd, kunstmest, guano, rotte bladeren, gazonaarde, akkergrond, zand, stro, kalk (kindermeel), salpeter, fosfaten, koedrek, as, turf, water, bier, tabaksresten uit pijpen, gebruikte lucifers, dode katten en tal van andere voedingsstoffen'
Als je bedenkt dat dit 1929 was, zijn we als tuinsoort niet veel opgeschoten. Ga naar een tuincentrum en je struikelt over de toevoegingen, op dode kat na die is vervangen door gemalen beestenbotten.
Op bladzij 91 (het is juli) staat een opsomming van wat tuin- of teelaarde is. Dat is een lange lijst van ongerechtigheden, inclusief aarde, die ik tot en met 2006 óók aantrof in zakken van het spul. Op bielzen en waskommen na.
Is  'Het jaar van de tuinier' alleen maar vermakelijk? Nee, want anders las ik het niet voor een tweede keer. Karel Capek steekt weliswaar goedmoedig de draak met het eindeloze gehannes en getob dat tuin heet, maar tussendoor komt ook nog wel eens een plantje ter sprake. Of een lichte zucht over de mens als geheel en de tuinierende mens in het bijzonder. Die doet zijn best, het is niet veel maar hij doet zijn best. Even goedmoedig zin alle kleine illustraties, gemaakt door Karels broer Josef.
De twee werkten vaak samen aan theaterproducties, Karel als schrijver, Josef v
Terug naar overzicht