Onverklaarbaar bewoond & De Wittgensteins (tip van Leo)

 Keizer, B.: Onverklaarbaar bewoond; € 17,95 & Waugh, A.: De Wittgensteins; €15,00
Twee heerlijke non-fictie boeken: De Wittgensteins van Alexander Waugh en Onverklaarbaar bewoond van Bert Keizer.
De afdeling neurochirurgie van het VUmc is een project gestart waarbij ze schrijvers uitnodigen een tijdje mee te lopen op een afdeling van hun keuze. Een moedig initiatief dat al meteen een geweldig boek heeft opgeleverd: Onverklaarbaar bewoond van Bert Keizer.
Keizer is een sympathieke gids op de afdeling Neurochirurgie. Hij presenteert zich als nieuwsgierige buitenstaander, maakt gewoon fouten en zit te knikkebollen bij de matineuze briefings. Ook is hij niets te beroerd om zichzelf onderuit te halen. Als een pater na een geslaagde operatie op zijn hersenen hem vertelt dat dit slagen te danken is aan zijn geloof, reageert Keizer (een overtuigd atheïst) geagiteerd: “als ik zo om me heen kijk hier, dan schat ik God niet erg hoog in als neurochirurg.” De pater schiet in de lach. “Hou toch op, ik zit je maar te plagen.”
Ik heb Onverklaarbaar bewoond tegelijk gelezen met een ander boek: De Wittgensteins van Alexander Waugh. Ik lees wel vaker boeken door elkaar, waardoor de meest uiteenlopende titels zich in mijn hoofd verbaasd met elkaar verbonden vinden. In dit geval is dat nog niet eens zo gek, omdat Bert Keizer vaak Ludwig Wittgenstein citeert. Waugh stelt dat indertijd bijna niemand Ludwig begreep, dus ik was geïnteresseerd hoe Bert Keizer hem als ondersteuning gebruikt, bijvoorbeeld als hij probeert uit te leggen wat het verwarrende is aan de uitspraak “de geest zit in het brein”. "In" kan van alles beduiden en Wittgenstein stelt dat het zinloos is te spreken over dat waar geen duidelijke uitspraken gedaan kan worden. Dat theologen en filosofen zich al millennia lang buigen over de relatie mens/geest en geen stap verder zijn gekomen, doet vermoeden dat hij hier een punt heeft. Toch gaat de mensheid dapper door met het uitscheiden van stellingen, decreten, religies en wetenschappelijke geschriften waarin allerlei bouds hieromtrent wordt beweerd. Zelfs God en Allah hebben op dit gebied gepubliceerd, maar ook Hun Woorden worden telkens opnieuw geïnterpreteerd en blijken voor velerlei uitleg vatbaar.
Het is leuk om de eerbied van Bert Keizer voor Wittgenstein te leggen naast de passages waarin Waugh beschrijft hoe Ludwig uit idealisme les probeert te geven aan middelbare schoolkinderen, maar door hun gebrekkige denkvermogen zo gefrustreerd raakt dat hij uiteindelijk een jongen bewusteloos slaat. Ook raakten in mijn hoofd de verhalen verweven van de patiënten uit Onverklaarbaar bewoond met dat van Paul Wittgenstein, de broer van Ludwig. Paul, een redelijk beroemde pianist, raakte in de oorlog een arm kwijt, maar wist door een uitzonderlijk doorzettingsvermogen dit gebrek om te buigen tot een voordeel. Hij liet befaamde componisten stukken schrijven voor de linkerarm en oogstte met zijn uitvoeringen ervan veel succes. Of hij als twee-armige pianist evenveel roem had vergaard, is de vraag. Dat weten we niet en dus is het wellicht ook niet zinvol om hierover te spreken. 
Hoe dan ook: beide boeken zijn fascinerend en blijven nog lang doorzinderen in het brein. Wat dat dan ook moge betekenen.

Eerdere tips van Leo


   Kehlmann, D.: Roem
Mijn stapel mee te nemen vakantieboeken ligt gereed:
1. Lelystad (Joris van Casteren), omdat het me fijn lijkt in Spanje te lezen over Lelystad (zie ook 3).
2. Mannen die vrouwen haten van Stieg Larsson. Dit vanwege een mevrouw in Pantheon die zei dat ze het zo spannend vond dat ze niet kon stoppen en het op de fiets heeft geprobeerd verder te lezen.
3. Chinese Fabrieksmeisjes. Hier las ik een boeiend artikel over. En het past in mijn traditie om een boek mee te nemen over mensen in erbarmelijke omstandigheden. Dat leest zo lekker, straks naast het zwembad in de zon. Eerdere titels in deze categorie waren: Into the wild (Jon Krakauer, over afzien en sterven in de wildernis van Alaska), 72 dagen in de Andes (Nando Parrado, over afzien en sterven na een vliegtuigongeluk in het Andesgebergte) en, de ergste van alle: In de wachtkamer van de dood (Anne-Mei The, over afzien en sterven in Nederlandse verpleeghuizen).
4. The Little Stranger, de nieuwe Sarah Waters. Ik was hier even in begonnen om te kijken of het lekker las en schoot in één ruk door naar pagina 70; gelukkig kon ik net op tijd stoppen.
5. Het meten van de wereld, van Daniel Kehlmann. Ik wil meer van hem lezen na:
6. Roem van Daniel Kehlmann. Ook in dit boek was ik even begonnen en toen kon ik niet meer stoppen. Prachtig. Over hoe mensen zichzelf verliezen. Elk hoofdstuk heeft een nieuwe hoofdpersoon, die zijdelings geïntroduceerd wordt in een van de andere verhaallijnen, vaak net even anders dan je verwacht. Ingenieus, onthutsend en ontroerend. Kehlmann heerst over zijn personages zoals ooit Nabokov, hij kan ze maken en breken en doet dat ook, met zichtbaar genoegen, al heeft hij een enkele keer mededogen met ze. Ik zou er graag verder over uitwijden, maar dat zou afdoen van het plezier dat u kan hebben bij de eerste keer lezen. Hoewel ik het uit heb, neem ik het toch mee; ten eerste om het een tweede keer te lezen, ten tweede zodat H., mijn geliefde, het kan lezen en wij het er over kunnen hebben. Daar verheug ik me nu al op. Het is heerlijk om te kunnen praten over een boek dat je allebei mooi vindt. Daarom ben ik natuurlijk ook in een boekwinkel gaan werken. Al scheelt het of je zo’n gesprek hebt in een regenachtig Amsterdam of op een terras in Andalusië, bij een gloedvolle zonsondergang en het genot van een glas sangria en een schaal patatas bravas met aïoli. Maar ik dwaal af. Roem is, kortom, een aanrader en ik heb het er graag met u over. Als ik terug ben.

 Cornelisse, P.: Taal is zeg maar echt mijn ding; € 12.50 
Bijna elke dag rond koffietijd wordt Pantheon Boekhandel bezocht door medeboekhandelaar Nol Sanders. Meneer Sanders werkte vroeger in de bibliotheek van het Instituut voor Neerlandistiek en paart een voorliefde voor gevulde koeken aan een zuiver taalgevoel. Als wij per ongeluk "woordenboek Latijns” zeggen, komt ons dat op een bestraffende blik te staan, hij rilt bij de stoplap “zeg maar” en als we afscheid van hem nemen met een welgemeend “doei!” dan krimpt hij als dodelijk gewond ineen. Uiteraard is ook het door enkelen binnen onze winkel wel eens gebruikte “oké” hem een gruwel. Het rare is nu, dat als je erop probeert te letten om geen oké te zeggen, het woord voortdurend te onpas uit je mond floept. Net als vroeger bij het spelletje geen ja en geen nee, zeg maar.
Gelukkig breekt Paulien Cornelisse in haar bundel Taal is zeg maar echt mijn ding een lans voor het gebruik van oké. Oké is een multi-inzetbaar woord en kan al naar gelang de uitspraak tientallen verschillende ladingen hebben. Taal is zeg maar echt mijn ding is trouwens heel leuk om te lezen, erg herkenbaar en drijft af en toe het schaamrood op de kaken als we een slechte taalgewoonte ook bij onszelf constateren. Verder geeft Cornelisse de enige juiste manier om de Gooise R te gebruiken (“Mensen die bijvoorbeeld het onvolprezen Kinderen voor Kinderenkoor willen nadoen, zingen vaak álle r-en als een Gooise r. Ha! Daar lachen de echte fans om. Want zo hoort het: ‘Kindugun for kindugun’ – alleen aan het eind van een lettergreep wordt de r een Gooise r, op andere plekken wordt de keel-r gebruikt.”) en pleit ze voor herinvoering van het “smurfen” (“Eigenlijk is ‘smurfen’ voor de werkwoorden wat ‘dinges’ voor de zelfstandige naamwoorden is. En ‘dingetje’ voor mensen van wie je de naam vergeten bent. ‘Dingetje, die ene, die met die dinges, die is weggesmurft van zijn vrouw.’ Dat klinkt goed.”)
Vanzelfsprekend hebben we het stukje over het gebruik van oké voorgelezen aan meneer Sanders. Hij heeft het hoofdschuddend aangehoord. Daarna las hij het hele boek achter elkaar uit onder het genot van een kop koffie en een gevulde koek.
 Witteman, S.: Pekingeend bij nacht; € 14,95
Mijn dochter wil niet meer dat ik haar voorlees. Dat is jammer. Door dat voorlezen leerde ik Harry Potter kennen en allerlei klassiekers die ik nog niet had gelezen. En als ik haar een boek voorlas waar ik ooit zelf van had genoten, was het een dubbel genot als zij moest lachen of ontroerd werd door een passage die datzelfde effect op mij had gehad. Haar verdriet aan het eind van “Wiplala”, toen Wiplala was verdwenen en Nella Della een week later nog een betinkeld spinnetje terugvond, is een kostbare herinnering. En haar vreugde toen ik de dag daarna “Wiplala Weer” tevoorschijn toverde, ook.
Nu staat dag in dag uit TMF aan en zingt ze mee met boze rappers.Van ellende ben ik zelf maar weer flink gaan lezen en om me op te beuren nam ik dit weekend “Pekingeend bij nacht” mee van Sylvia Witteman. Terwijl mijn dochter op MTV keek naar My Own Private Mariah Carey, waarbij drie meisjes zich uitsloven om zoveel mogelijk op Mariah Carey te lijken omdat ze in de smaak willen vallen bij een jongen die zijn hele kamer vol heeft hangen met haar posters (“Nummer drie: jij probeert te aardig te doen, zo is Mariah niet. Je valt af”), zat ik te lezen en schoot plotseling in de lach. “Wat?” vroeg mijn dochter, en ik las haar het stukje voor over Sylvia’s “vage minachting jegens de Duitse taal (...) hier en daar wat puntjes erboven, een beetje snauwen en klaar” waardoor zij in Berlijn de ene blunder na de ander begaat. “Lees er nog eens een voor?” vroeg mijn dochter.
Ik deed het stukje over Witteman’s slapeloosheid en haar dan ontstane overgevoeligheid voor het kleinste geluid. “Eén kuchje van een kind, ruisje in de wc-pot of mompelend vleermuisje aan het venster kan fataal zijn.” Dat Sylvia bij het zien van een vleermuisje ’s nachts aan haar raam niet verbaasd is, maar slechts denkt: ik hoop dat het beest niet gaat mompelen, werkte erg op onze lachspieren. Ook waren we allebei ontroerd door de beschrijving van Kiki, het ratje dat af en toe een hardgekookt ei krijgt. “Dat rolt hij dan een tijdje stoeierig rond over mijn bureau, daarna pelt hij het behendig en eet het op, met kleine stukjes tegelijk tussen zijn handjes. Daarbij tsjilpt hij als een vogel.”
En zo ging het door tot ik zo’n beetje het hele boek had voorgelezen. Wie uiteindelijk de Mariah Carey-competitie had gewonnen was ons ontgaan, maar we hadden een heerlijke middag. Dank je wel, Sylvia...     
(zie ook: sylviawitteman)

Heijden, A.F.Th.: Voetstampwijnen zijn tandknarswijnen. Een requiem; € 18,95
 Elke dag kwam schrijver en buurman Jean-Paul Franssens bij Pantheon Boekhandel zijn krant halen, en elke dag was er wel iets gebeurd of had hij iets gelezen waar hij staand voor onze toonbank commentaar op gaf. In gedragen volzinnen en met pathos speelde hij dan verontwaardiging of diste hij een herinnering op. Het was makkelijk voor te stellen hoe hij ’s nachts na enkele jenevers een heel café in zijn ban kon houden.
Hij ventileerde uitgesproken meningen. Toen we op een mooie zonnige morgen eens muziek in de winkel draaiden, kwam ons dat op een ongenadige schrobbering te staan: in een boekwinkel zou de geest genoeg moeten zijn en muziek leidde daarbij alleen maar af. Niet dat J.P. niet van muziek hield: als hij aan het schilderen was, schalden er vaak opera-aria's uit het belendende perceel.
Hij was een markante verschijning in de Nieuwmarktbuurt en het viel ons dan ook op toen we hem een paar weken niet zagen. Ook het boek dat hij besteld had, een lijvige biografie door Oliver Todd van Albert Camus, bleef in de haalkast staan. Was hij boos op ons omdat we laatst zijn planten vergeten waren water te geven in zijn afwezigheid? Maar daar stond hij opeens weer in de winkel om zijn boek op te halen. Hij stond zwijgend aan de toonbank en rekende af. Ik vroeg hem hoe het ging. Hij keek me peinzend aan. “Hoe het gaat? Mijn zoon heeft zelfmoord gepleegd en bij mij is kanker geconstateerd. Hoe zal het gaan?”
19 juni 2003 stierf hij. Nu, vijf jaar later, zijn er de herinneringen van A.F.Th. van der Heijden aan deze bohémien, schrijver, schilder en vooral verteller. En terecht: Jean-Paul Franssens mag niet vergeten worden.
 Krakauer, J.: De wildernis in; € 15,-
De 24-jarige Chris McCandless verliet in 1992 zijn comfortabele middleclass bestaan en reisde maanden door Amerika, zonder geld of identiteitsbewijs. Als ultieme test trok hij uiteindelijk de wildernis van Alaska in, zonder kaart of kompas, maar met een geweer, tien pond rijst en een boek over eetbare planten en zaden. Vier maanden later werd zijn lichaam in een verlaten bus teruggevonden. Jon Krakauer probeert in De Wildernis In McCandless’ beweegredenen te doorgronden. Krakauer schrijft boeken over nogal uiteenlopende onderwerpen van bergbeklimmen tot godsdienstwaanzin. Vermoedelijk wordt hij gefascineerd door extreme naturen, mensen die bepaalde denkbeelden en dromen hebben en zich niet willen laten tegenhouden door Wetten en Praktische Bezwaren. Ikzelf ben nogal op mijn gemak gesteld, dus als ik een week in een tentje slaap op een regenachtige camping, een douche moet delen met 20 andere mensen en voor mijn eten afhankelijk ben van een kleine Spar en een walmende snackkar, vind ik dat ik enorme ontberingen heb geleden. Onder zulke omstandigheden heb ik indertijd De Wildernis In gelezen en dat veranderde mijn perceptie behoorlijk. Onder geen beding zou ik in McCandless’ voetsporen willen treden, maar het lukt Krakauer met verve om ons mee te slepen. Chris ontmoet onderweg enkele al wat oudere mensen die door het leven niet zijn gespaard, en zij worden geraakt door zijn jeugdig optimisme en idealisme. Dat, en niet zijn ongelukkige einde, is waar het om gaat. Zoals McCandless uiteindelijk opschrijft achterin zijn dagboek: Happiness only real when shared. Toen ik onlangs Sean Penn’s verfilming van het boek zag, Into the Wild, werd ik wederom door het verhaal gegrepen. Op een gegeven moment belandt McCandless in de grote stad en de beklemming die dat bij hem veroorzaakt wordt door Penn zo goed opgeroepen dat ik echt opgelucht was dat Chris even later weer in de barre natuur wandelt. Er is hier geen sprake van het boek of de film is beter: beiden zijn geweldig en vullen elkaar aan. In Oktober verschijnt overigens een nieuw boek van Krakauer, The Hero, over Pat Tillman, een professionele rugbyspeler die vrijwillig dienst nam in het Amerikaanse leger en onder verdachte omstandigheden omkwam in Afghanistan. Ik kijk ernaar uit.
Een laatste tip: wie wel in McCandless’ voetsporen wil treden doet er goed aan om zich te verdiepen in dat boek over eetbare planten en zaden...
 Burnham Schwartz, J.: Keizerin uit het volk; € 12,50
John Burnham Schwartz is een knappe man. Hij lijkt een beetje op Supermanacteur Christopher Reeve. Eigenlijk is dat een nadeel. Als ik klanten een boek van hem aanraad, schrikt de auteursfoto op de omslag hen soms af. Een man met zo’n filmsterrenlook zal wel niet kunnen schrijven, denkt men onwillekeurig. Een betreurenswaardige vergissing, want Burnham Schwartz kan schrijven, en niet zo’n beetje ook!
    Ik heb nu drie titels van hem gelezen: Reservation road, Claire en zijn laatste: Keizerin uit het volk. Alledrie zijn het prachtige boeken. Het beklemmende Reservation road gaat over een man die een dodelijk ongeluk veroorzaakt en daarna doorrijdt. Claire is het hartverscheurende verhaal van een man en een vrouw die duidelijk voor elkaar zijn gemaakt, maar door omstandigheden en verkeerde keuzes elkaar nooit zullen krijgen. Beide boeken zijn volkomen verschillend, al hebben ze twee dingen gemeen: de dramatiek van het onderwerp en het feit dat je het achter elkaar wilt uitlezen. Ook zijn laatste roman “Keizerin van het volk” bezit deze kenmerken.
    In augustus 2006 stond het volgende bericht in de Elsevier:
Op uitnodiging van koningin Beatrix zijn de Japanse kroonprins en kroonprinses vanaf vandaag twee weken in Nederland. Er is geen officiële reden gegeven voor het bezoek, maar de vakantie biedt kroonprinses Masako de kans om te ontsnappen aan alle opwinding rond de zwangerschap van haar schoonzus, prinses Kiko. Het is de eerste gezamenlijke buitenlandse reis van het Japanse kroonprinselijk paar in dertien jaar huwelijk. Kroonprins Naruhito (46) en kroonprinses Masako (42) zouden in Nederland zijn voor ‘medisch herstel’ van de prinses. Prinses Masako kampt al jaren met depressies, naar verluidt omdat de druk om een mannelijke troonopvolger te baren haar teveel is. 
    Burnham Schwartz vertelt in “Keizerin uit het volk” het verhaal dat achter dit bericht zou kunnen steken. Hij baseert zich op de Japanse Keizerdynastie, maar heeft bij aanvang de namen veranderd, zodat hij volledige vrijheid had bij het scheppen van personages zonder te hoeven letten op historische onjuistheden of evt. gevoeligheden. Haruko is een gewoon Japans meisje met liefhebbende ouders die de vrouw wordt van de Japanse kroonprins en later keizerin. Zo gelukkig als haar jeugd was (ondanks W.O. II), zo ongelukkig en claustrofobisch is haar leven aan het hof, als kroonprinses en later als keizerin. De geschiedenis herhaalt zich als haar zoon, de nieuwe kroonprins, ook verliefd wordt op een meisje uit het volk. Dat meisje, Keiko, deinst terug voor het leven aan het hof, maar Haruko weet haar over te halen. De gevolgen daarvan moet u maar lezen in dit prachtig geschreven boek. Burnham Schwartz paart een fraaie stijl aan oog voor detail en gevoel voor humor. Het is een knappe man én een knap schrijver. Some guys have all the luck...   
 Pol, M. v.d.: Bruidsvlucht; €12,50
Als kind wordt het je vaak gevraagd: wat wil je later worden? Brandweerman, topmodel, zangeres. Vrijwel niemand zegt: werkeloos, of caissière, of servicepuntmedewerker. Gelukkig maar, want je moet de lat wel een beetje hoog leggen en de gestelde vraag is al zo moeilijk. Een nog ingewikkeldere vraag zou zijn: wie wil je later worden? Toch heb je daar als je jong bent vaak al wel een beetje een idee van, al was het maar wie je níet wil worden.
Neem de hoofdpersonen uit “Bruidsvlucht”, het debuut van Marieke van der Pol. Het is 1953. Drie jonge vrouwen reizen per KLM vliegtuig naar Nieuw-Zeeland om daar een nieuw leven te beginnen. Drie aanstaande bruiden op weg naar hun toekomstige echtgenoten. In het vliegtuig ontmoeten ze Frank, die alleen reist en op wie niemand wacht. Wie willen zij in ieder geval niet worden? Niet iemand zo streng als mijn vader. Niet als mijn moeder die haar leven lang lijdt onder wat haar man en kind is aangedaan. Niet zoals mijn ouders die zijn vermoord in het kamp, ik wil leven. Dit zouden, denk ik, de antwoorden zijn van drie van de vier hoofdpersonen: Marjorie, Frank, en Esther. De vierde, de stille Ada, zou wellicht zeggen: als ik maar geen zondaar word, ik wil een goede gelovige zijn, goed in de ogen van God.
Het is met haar dat ik bij het lezen het meest heb meegeleefd. Want wat zit zij haar geluk in de weg door die door haar ouders en omgeving bepaalde wens. Ze weet zich er uiteindelijk enigszins aan te ontworstelen, maar haar leven had er zo anders en oneindig veel gelukkiger uitgezien als... Marieke van der Pol verwoordt puntig de levens en gedachten van deze drie vrouwen en verweeft elegant heden en verleden. Ze kan een situatie fileren in woorden die je in de lach doen schieten, of frustratie oproepen, of een brok in je keel als Ada bij de begrafenis van Frank beseft dat ze niet is geworden wie ze had kunnen zijn.
Marieke van der Pol schijnt eerst het scenario van “Bruidsvlucht” te hebben geschreven, dat op dit moment verfilmd wordt. Het wordt vast een mooie film, maar één ding weet ik nu al: het boek is beter.    
 P. Roth: Alleman; € 10,00 
Als ik gepensioneerd ben, ga ik veel reizen. Met mijn beste vriendin zal ik nog eenmaal New York bezoeken, en naar Italië rijden, en langs de oceaan lopen in Cascais. Mijn dochter, met wie ik altijd een goede relatie heb gehouden, komt wekelijks langs. Af en toe ga ik met de kleinkinderen naar Artis om de roodwitte vari te aaien en te kijken naar Yindee, die opa nog gekend heeft toen ze nog een klein olifantje was. Ik zal wat last hebben van mijn rug en misschien wat moeizamer lopen dan nu. En op een dag word ik dood gevonden in bed. 'Heel onverwacht. Laatst had hij zelfs nog een handje toegestoken in de boekwinkel, toen het zo druk was.' Op mijn begrafenis komen alle mensen van wie ik houd. En bij het draaien van “Ich bin der Welt abhanden gekommen” laat iedereen de tranen de vrije loop. 
    “Alleman” heet de zevenentwintigste roman van Philip Roth. Na het groot opgezette “Het complot tegen Amerika” houdt Roth het nu klein. In “Alleman” speelt politiek of de actualiteit geen enkele rol. Het thema is de sterfelijkheid van de mens. Alleman is gebaseerd op het Middeleeuwse moraliteitsspel “Elckerlyc” waarin de mensen aan de Dood verantwoording moeten afleggen over hun leven. Het leven van Roth’s Alleman was doodgewoon en bevatte dezelfde ingrediënten als dat van zovelen: echtscheiding, domme keuzes, afgunst en mislukkingen. Hij is iemand geworden die hij nooit wilde zijn en overdenkt zijn dagen in het bejaardendorp Starfish Beach aan de kust van New Jersey, waar hij onverbeterlijk naar de joggende jonge vrouwen blijft loeren, alsof ‘er een gaatje bestond dat al het andere in zijn leven kon vervangen’.
    Philip Roth windt er geen doekjes om: er is geen lol aan om ouder te worden. Tenminste niet voor de hoofdpersoon uit “Alleman”. Hij moet elk jaar onder het mes voor weer nieuwe hartoperaties, zijn ex-vrouwen en zoons willen hem niet meer zien, en zijn broer Howie die hem altijd hielp en steunde, houdt hij zelf op afstand omdat hij jaloers is op diens onverwoestbare gezondheid. Ook zijn oude droom, schilderen, is uiteengespat: na een paar schilderijen herhaalt hij zichzelf en weet hij niets meer te schilderen. 
    Enige voldoening vindt hij nog in het geven van een schilderklasje aan de ouderen in zijn woonplaats. Het is komisch om te lezen hoe Roth schrijft over de leerlingen die graag abstract willen schilderen, waarna er absoluut niet meer met ze te discussiëren valt, omdat het immers “abstract” is, zodat Alleman zich maar beperkt tot opmerkingen als 'Goed, ga zo door', of: 'Dat schiet lekker op'. De beste van zijn cursisten is Millicent Kramer, een dankbare leerlinge met talent. Omdat ze met haar slechte rug af en toe moet liggen, biedt hij haar aan van zijn bed gebruik te maken. Als ze op een keer lang wegblijft en hij haar hoort huilen in zijn slaapkamer, gaat hij naar binnen. Wat dan volgt, komt hard aan na het luchtige schilderlesexposé. De grote witte plastic rugsteungordel die Millicent nog heeft geprobeerd te verstoppen onder het kussen als hij binnenkomt. De herinnering die zij ophaalt aan haar gestorven man, de eigenzinnige welbespraakte eigenaar van een regionaal weekblad die door een hersentumor eindigde in een rolstoel waar hij met scheef opengetrokken mond wachtte tot hij met een lepel werd gevoerd. En Millicent zelf die zonder haar man elke steun mist en uitlegt hoe anders je wordt van pijn: eenzaam en bang van jezelf. Haar leraar kan niet veel anders bieden dan een glaasje water met een pijnstiller en volstrekt ontoereikende woorden. Als hij tien dagen daarna hoort dat ze een overdosis slaappillen heeft genomen, stopt hij met schildercursus. 
    Het enige lichtpunt zijn de telefoontjes van zijn dochter elke ochtend. Zij is de enige die altijd van hem is blijven houden. Even overweegt hij zijn huis te verkopen en bij haar in te trekken, maar dan ontvangt hij het bericht dat haar moeder (zijn ex) een beroerte heeft gekregen en bij haar dochter zal gaan wonen. En zo kan hij nergens meer heen. 'Nu bleek dat hij, net als ontelbare andere bejaarden, bezig was alsmaar minder te worden en dat hij zijn doelloze dagen zou moeten uitzingen als niet meer dan hij was - de doelloze dagen en onzekere nachten en het machteloos ondergaan van de lichamelijke aftakeling en de ongeneeslijke somberheid en het wachten en wachten op niets.'
    Een paar dagen voor zijn zoveelste operatie bezoekt hij het kerkhof waar zijn ouders liggen en waar ook hij zal worden begraven. Hij spreekt met de doodgraver die ook het graf van zijn ouders heeft gegraven en die, terwijl hij zijn boterham met gehakt eet, nuchter over zijn vak praat en daardoor een beetje angst wegneemt. 
    Op woensdagochtend gaat hij naar het ziekenhuis om aan zijn rechterhalsslagader te worden geopereerd. Aan de anesthesioloog vraagt hij om een algehele narcose, zodat de operatie gemakkelijker te doorstaan zal zijn dan de vorige keer. Hij krijgt een hartstilstand. 'Hij was niet meer, bevrijd van het zijn, het niets ingaand zonder het zelfs maar te weten. Zoals hij altijd had gevreesd.'
    Dit zijn de laatste woorden van het boek. De boodschap is duidelijk. Ik mag dromen van verre reizen en liefde om me heen, de oude dag is maar zelden onbekommerd. 'Oud worden is geen strijd, oud worden is een slachting'. Wat overblijft is eenzaamheid en angst en spijt. En er is geen God die ons kan vergeven. Het enige wat we kunnen doen is ons met ons leven verzoenen voor de dood ons komt halen.

 Veronesi, S.: Kalme Chaos; € 12,50
Pietro Paladini en zijn broer Carlo redden tijdens hun vakantie twee vrouwen van een verdrinkingsdood op zee en slepen ze met veel moeite naar het strand. De vrouwen worden onmiddellijk omringd door familie, omstanders en hulpverleners, en de twee redders staan er wat verloren naast. Dan merkt Carlo op dat ze nu ook zomaar twee vreemdelingen zouden kunnen zijn die komen kijken wat er aan de hand is. Om dit te bewijzen buigt hij zich voorover tot een vrouw in de menigte en vraagt wat er is gebeurd. “Twee vrouwen zijn bijna verdronken,” antwoordt ze terwijl ze druk bezig is met haar mobiele telefoon. “Het was vandaag geen dag om te zwemmen. Er zouden hier badmeesters moeten zijn, en rode vlaggen. Eerst een man, en nu die twee arme vrouwen.” “Het is me wat,” zegt Carlo, en kijkt dan grijnzend naar mij. “Maar gaat het goed met ze? Ik bedoel, zijn ze gered?” “Ja,” zegt de vrouw, “maar er is geen ambulance te vinden. Er is er maar één in het dorp en die is weg.” “Het is me wat,” herhaalt Carlo.
De beginscene van “Kalme Chaos” is niet alleen exemplarisch voor het verhaal, het is ook Sandro Veronesi’s favoriete thema. Hoofdpersoon Pietro Paladini vindt het onverdraaglijk dat wat je doet en wie je bent door de buitenwereld heel anders wordt gezien dan door jezelf. Maar hij krijgt het nog veel zwaarder te verduren. Thuisgekomen blijkt zijn aanstaande vrouw midden op straat te zijn overleden aan een gescheurd aneurysma, in het bijzijn van hun tienjarige dochter Claudia. Terwijl haar vader dus een andere vrouw aan het redden was. Natuurlijk slaat de analogie nergens op, maar Pietro kan zich niet aan de gedachte onttrekken dat hij tekort is geschoten, al was het maar in de ogen van zijn dochter.
Als hij haar, terug in hun woonplaats, voor het eerst weer naar school brengt, besluit hij voor haar school te blijven wachten. Aanvankelijk in zijn comfortabele auto, van waaruit hij via fax en mobieltje toch zijn werk kan blijven doen, en later in de onmiddellijke omgeving hiervan. In de dagen en zelfs weken die volgen blijft hij in de buurt van de school van zijn dochter. Als lezer denk je dat hier op een gegeven moment de catharsis wel zal plaatsvinden: Pietro, die tot zijn eigen verbazing niet verscheurd wordt door verdriet, zal dan zijn verlies onder ogen zien en dit met zijn dochter leren verwerken, zoiets.
Maar het gaat anders. Eén voor één komen er vrienden en collega’s langs, die weliswaar eerst hun deelneming betuigen, maar dan al snel over hun eigen sores beginnen. Pietro weet aanvankelijk niet goed wat hij ermee aan moet, en zijn overwegingen en beschouwingen van wat er gebeurt zijn een genot om te lezen. Op zijn werk (iets met betaaltelevisie) staat een fusie op stapel en alle hoofdfiguren uit die fusie komen bij hem langs om hun angsten bij hem neer te leggen. Ook zijn schoonzus Martha bezoekt hem en ook zij lijkt meer problemen te hebben dan Pietro zelf.
Wie heeft genoten van “In de ban van mijn vader” zal niet teleurgesteld zijn door “Kalme Chaos”. Het heeft dezelfde toon en Veronesi is een meester in dialogen doorspekt met afleidende gedachten en beschrijvingen. Niet elke verhaallijn is even belangrijk voor het verhaal en gaandeweg vroeg ik me toch af waar nou eigenlijk de liefde van Pietro voor zijn overleden vrouw Laura op gebaseerd was, want daar wordt maar weinig over gezegd. Maar de roman blijft boeiend, en als aan het eind weer eens blijkt dat de hoofdpersoon zijn positie en drijfveren totaal verkeerd had ingeschat (vaste prik bij Veronesi), gebeurt er iets ontroerends: Pietro houdt een lang en denkbeeldig telefoongesprek met alle figuren die we hebben leren kennen. Hij geeft toe wat hij verkeerd had gezien, biedt aan sommigen zijn excuses aan en verwoordt het inzicht dat hij over zichzelf en zijn relatie met Laura heeft verkregen. Dan blijkt wat er mis was tussen hen, en wat er mis is met hem. Aan het eind van deze denkbeeldige gesprekken vraagt hij uiteindelijk ook haar aan de telefoon.
 Vincent, N.: Onder mannen; € 17,50
Een boek dat in Nederland een beetje dreigt onder te sneeuwen bij al het Sinterklaas- en Kerstgeweld in de boekhandel is “Onder mannen” van de Amerikaanse journaliste Norah Vincent. De schrijfster onderging een metamorfose (waarvan de problemen humorvol beschreven worden; vooral de stoppelbaard bleek in warme omstandigheden nogal eens te smelten) en begaf zich gedurende anderhalf jaar in een aantal typische mannenwerelden: een kegelclub, een mannenpraatgroep, een stripclub, een groep vertegenwoordigers, een datingavond en een mannenklooster.
Norah Vincent is lesbisch en ziet zichzelf als feminist. Mijn verwachting was dat De Man er wel stevig van langs zou krijgen. Niet geheel ten onrechte natuurlijk, er zijn nogal wat steekjes aan ons los. We kunnen nauwelijks bij onze gevoelens, vinden een carrière belangrijker dan huiselijk geluk, zijn bij seks doorgaans gericht op instantbevrediging, blijken niet in staat een relatie van nieuwe impulsen te voorzien en erover praten lukt ons al helemaal niet.
Het verraste me dus dat Vincent mild over ons oordeelt. Zo waardeert ze de ongecompliceerde wijze waarop zij (of liever “hij”, haar mannelijke alter ego “Ned”) wordt geaccepteerd in de kegelvereniging. Sterker nog: haar tegenstanders helpen haar zoveel mogelijk om haar gebrekkige kegelkwaliteiten te verbeteren, omdat ze wel een beetje tegenstand willen hebben. Kom daar bij vrouwen eens om, zo redeneert Vincent, die zijn veel teveel met een concurrentiestrijd bezig.
Natuurlijk komen de zwakke kanten van het sterke geslacht wel aan de orde. Het kegelclubje voelt zich niet op zijn gemak als één van hen over de kanker van zijn vrouw begint, en gaat het liefst zo snel mogelijk weer door met het spel. En de donkere kantjes van het seksuele leven van De Man, die Norah Vincent in de lapdanceclub meemaakt, zijn niet erg verheffend. Een vrouw mag eigenlijk geen wil hebben, geen geur, en moet eruit zien als een pop, dat windt mannen op.
Het ontroerendste deel van het boek vond ik Vincent’s bezoek aan een kloosterorde. Veel van de broeders daar worstelen dag in dag uit met hun gevoelens, maar op die plek is het uiten daarvan op een schokkende manier volledig taboe. Ned kan goed overweg met één van de broeders, en heeft goede en diepe gesprekken met hem. Maar als bij deze broeder het vermoeden rijst dat Ned wel eens warme gevoelens voor hem zou kunnen koesteren, verbreekt hij elk contact, gedraagt zich afstandelijk en zelfs licht vijandig tegenover hem. Dat is om zichzelf en Ned te beschermen, zo legt een andere broeder uit. Men mocht eens denken dat je homo bent.
Maar wat is dat dan toch voor wereld die zogenaamd gericht zou zijn op liefde voor God en naleving van Jezus' voorbeeld, die toch liefde voor je medemens predikte; dat je iedereen kleineert en zelfs isoleert die iets van zijn sympathie voor jou laat blijken??? Dit gedeelte zette me aan het denken. De Man is blijkbaar geneigd tot een soort gedrag dat in het dagelijkse leven nog wel tot op een acceptabel niveau onderdrukt kan worden, maar dat in het soort laboratoriumopstelling dat een kloosterorde is, opeens tot volle wasdom komt. Waar zijn wij zo bang voor?
Norah Vincent zegt aan het eind van het boek dat ze meer begrip en sympathie voor De Man heeft gekregen. Maar dat ze opgelucht is dat ze weer als vrouw door het leven kan gaan...
 McInerney, J.: Het goede leven; € 19,90 Perrotta, T.: Brave huisvaders; € 18,90
Ik ben dol op liefdesromans. En dan vooral die waarin twee mensen die een niet al te gelukkig bestaan leiden, elkaar ontmoeten en om elkaar heen draaien en dat er dan even een gelukkige liefde lijkt op te flikkeren en een glimp van een beter leven, waarna aan het einde het hele kaartenhuis in elkaar stort zodat je als lezer verslagen en met een brok in je keel achterblijft. Zo hoort dat. 
    Ik heb er net twee gelezen: “Brave huisvaders” van Tom Perrotta en “Het goede leven” van Jay McInerney. De laatste wordt in alle recensies gepresenteerd als een 9/11 roman, maar is een liefdesverhaal tegen de achtergrond van de nasleep van de aanslag. De eerste is behalve liefdesroman ook een zedenschets en als zodanig wel geslaagd. Perrotta zet de hypocrisie in het Amerikaanse suburbanleven goed aan. Iedereen is voornamelijk met zichzelf bezig, niemand luistert echt naar iemand anders en aan het eind verliest iedereen een beetje. Inclusief de pederast McGorvey die niet bepaald welkom is in de buurt en erg onheus wordt bejegend. Eigenlijk verwacht je dan dat we medelijden met hem moeten gaan krijgen, maar zo voorspelbaar is Perrotta niet: McGorvey is een uitermate onsympathiek personage die helemaal niet probeert zijn neigingen te bevechten. Maar de mensen die zijn ruiten ingooien zijn ook geen modelburgers, al vinden ze zelf van wel. Ondertussen speelt zich een affaire af tussen Sarah en Todd, allebei redelijk ongelukkig getrouwd & met kinderen, en allebei toe aan een beetje aandacht en romantiek. Dat krijgen ze, en je hoopt maar dat ze zullen ontsnappen aan het benepen klimaat van de Amerikaanse voorstad.  
    Net zo beklemmend is het bestaan in de High Society van New York, dat Jay McInerney beschrijft in “Het goede leven”. Ik wilde het boek na vijftig bladzijden al wegleggen, zo benauwde me het ijdele gejaag en gepoch. Dat is dan ook precies de bedoeling van McInerney, zodat je opgelucht ademhaalt als Corinne Calloway (vrouw van Russell Calloway, dit paar figureerde al eerder in McInerney’s “Brightness Falls”) Luke McGavock ontmoet. Luke komt uit de stofwolken van de ramp kruipen en ziet als eerste Corinne, als een soort engel die een verandering in zijn leven aankondigt. Zijn leven zal dan ook inderdaad veranderen. Maar zal Corinne hem daarin volgen? 
    Het slot van het boek had ik verwacht, en toch kwam het een beetje uit de lucht vallen (een beetje ongelukkig geformuleerd, in dit verband). Eerst was ik onbevredigd, las het nog eens en toen moest ik me gewonnen geven. Ik zou het subtiele, schrijnende einde van McInerney graag citeren. Maar u moet het zelf maar lezen en de hoop koesteren dat twee verwante zielen elkaar eindelijk vinden. Terwijl u toch weet dat zoiets zo weinig echt gebeurt. Want tussen droom en daad...

 Mitchell, D.: Dertien; € 12,50
Dertien; ik vond het een rotleeftijd. Ik was net blijven zitten en mijn ouders leek het dat ik beter zou gedijen onder de strenge discipline van een kostschool. Nou wist ik me al geen houding te geven in het gezelschap van meisjes (de eerste keer dat ik een afspraakje had met een meisje begon ik uit pure zenuwen enkele uit mijn hoofd geleerde grappen te vertellen), maar honderden ontheemde puberende jongens bij elkaar is ook een voedingsbodem voor veel ellende, dat verzeker ik u. 
    Een boek over een jongen van die leeftijd sla ik dus liever over. Toch draaide ik al een tijdje om “Dertien” van David Mitchell heen. Flaptekst bekijken, weer neerleggen, stukje eruit lezen, weer neerleggen, en dan de eindregel opslaan. “Dat is omdat dit het einde niet is.” Raadselachtig en veelbelovend. Ik hou ervan eindregels meteen te lezen. Als het goed is vraag je je af wat ermee bedoeld wordt en dan lees je het boek en dan valt alles op zijn plaats en ben je door diezelfde eindregel die je eerst niet begreep opeens ontroerd en dat is precies wat er bij "Dertien" gebeurde: ik begon aan het boek, las het in één dag uit en voelde me weemoedig en getroost omdat eindelijk iemand die ongelooflijke, onzekere, kloterige, allesbepalende en soms prachtige leeftijd zo mooi had opgeroepen.
    Wat is er zo mooi aan “Dertien” van David Mitchell? De manier waarop hij de jaren tachtig doet herleven, met verwijzingen naar the Human League, Chariots of fire en Weetabix candybars? De ingenieuze wijze waarop hij het effect van Margaret Thatcher’s beleid en buitenlandse politiek (Falklands) op het alledaagse leven van de dertienjarige Jason Taylor schetst? De herkenbaarheid waarmee hij de meedogenloze hiërarchie binnen puberkringen beschrijft? Jongens die heel populair zijn worden bij hun voornaam genoemd, dus heet Nick Yew altijd alleen maar “Nick”. Jongens die een beetje populair zijn, zoals Gilbert Swinyard, hebben vrij eerbiedige bijnamen als “Yardy”. Dan krijg je jongens als ik die elkaar bij de achternaam noemen. Onder ons komen jongens met akelige bijnamen als Moron Moran of Nicholas Briar die Knickerless Bra heet. Het gaat allemaal om rangen als je een jongen bent, net als in het leger. Het begrip dat je krijgt voor Jasons gevecht tegen zijn spraakgebrek? De schaamte die je bevangt als je leest hoe zijn vader het respect en de liefde die hij net bij zijn zoon had gewonnen weer te grabbel gooit door te kruipen voor zijn baas? Jasons onverwachte eerste zoen? Het verdriet dat je voelt als Jason terugverlangt naar de gestresste uitstapjes van vroeger met het hele gezin, als het gezin definitief uit elkaar is gevallen en hij vertrekt uit het huis waar hij geboren is? Wat nog het vreemdste is (...) is om hier te vertrekken zonder pap. Ik bedoel, hij zou nu eigenlijk rond moeten rennen om de boiler, het water en het gas af te zetten. (...) Nog één keer de ramen controleren, kijken of de stroom af staat. Zoals wanneer we op vakantie gingen naar Oban of ergens in het Peak District. Of is het de stem van Jason, die onzekere, soms enthousiaste, soms gebroken stem, die wel moet stamelen want wat kan je anders op zo’n overweldigende leeftijd als Dertien?
    Ja, dat allemaal. 
 S. Veronesi: In de ban van mijn vader; € 11,-
Als ik met Annemarie in de winkel sta, roddel ik met haar over merkwaardige klanten en over onze collega’s. Met mijn andere collega’s roddel ik weer over Annemarie. Toch denk ik liever niet aan de mogelijkheid dat Annemarie met mijn andere collega’s zou kunnen roddelen over mij. Wil ik horen wat anderen over mij zeggen als ik er niet bij ben? Is dat goed voor mijn zelfbeeld? Klopt mijn zelfbeeld eigenlijk wel?  
    Het leukste Italiaanse boek dat ik de laatste jaren las, is “In de ban van mijn vader" van Sandro Veronesi. Aan het begin krijgen kinderboekenschrijver Gianni Orzan en zijn vrouw mensen te eten. Als twee van hen, wegens oppasproblemen, voortijdig wegmoeten, zegt één van de overgebleven gasten terwijl hij naar de intercom op de muur kijkt: “Ik luister altijd naar wat mensen tegen elkaar zeggen als ze mijn huis verlaten.” Gianni vindt dit een maniakaal idee, maar doet het toch. Hij hoort hoe het vertrokken stel hem belachelijk maakt omdat hij voor de zoveelste keer een bepaalde anekdote vertelde, dat de oppasproblemen zijn verzonnen om in godsnaam maar weg te komen, dat ze hem en zijn vrouw gierig vinden, en zo nog wat meer lelijks. 
    “In de ban van mijn vader” is het tegenovergestelde van een “Bildungsroman”: stap voor stap wordt het leven van Gianni Orzan onttakeld. Om te beginnen dus door bovenstaande ontdekking, maar niet lang daarna blijkt zijn vader, communistenvreter bij uitstek, een spion van Moskou te zijn geweest. Dat wordt Gianni tegen wil en dank duidelijk gemaakt door een oude vriend van zijn vader. In een strak tempo trekt Veronesi ons door de gebeurtenissen heen. Op de flaptekst wordt gesproken van “spectaculaire verrassingen” en “komische wendingen”, maar zo voelt het niet als je leest. Het afbreken van het beeld dat Orzan van zichzelf heeft, gebeurt organisch en onafwendbaar. Als zijn vrouw hem verlaat, leest hij dat terloops op een briefje dat zij had achtergelaten en dat hij al een tijd ongelezen in zijn zak had. Uiteindelijk leidt wat Orzan overkomt hem tot het inzicht dat “het leven dat je rest in feite zal bestaan uit (...) een lange weg terug, op de tast, naar de verwarring waarmee je begonnen was.” Het steeds weer ontdekken dat niets in zijn bestaan is zoals hij dacht, gaat door tot het moment dat hij een ongeluk krijgt doordat hij geen voorrang blijkt te hebben op een plek waar hij jarenlang had aangenomen van wel, en in het ziekenhuis belandt, waar zijn vrouw hem na lange tijd weer bezoekt en hij zal moeten beslissen wat hij aanmoet met dat wat zijn leven blijkt te zijn. 
    Een heerlijk boek, dat al uw zekerheden ondermijnt. Of dacht u soms dat er over u niet geroddeld werd?

  B. Hulsman, P. Steinz: Zwanenzangen; € 15,-
Soms hoor je een lied dat je tot stilstand dwingt om het helemaal af te luisteren. Het overvalt je in een winkel, buiten vanaf een bouwsteiger, of, zoals mij overkwam, voor het naar bed gaan toen ik nog even langs alle tv kanalen zapte en terecht kwam in de laatste minuten van een BBC serie over popmuziek, aflevering Reggae. Bob Marley, zittend op een kruk, begeleidde zichzelf op akoestische gitaar en zong met bijna gebroken stem: “All I ever had is songs of freedom/Won’t you help me sing these songs of freedom/’Cause all I ever had redemption songs/Redemption songs.”  
    De afgelopen weken is er zoals gebruikelijk een ware hausse van boeken over het Boekenweekthema uitgekomen. Over muziek dus. Een van de leukste hiervan is, wat mij betreft, “Zwanenzangen” van Pieter Steinz en Bernard Hulsman (verschenen bij uitgeverij Verloren). Pieter Steinz die er overigens (met Wim Brands) zonder veel rumoer in geslaagd is een goed literatuurprogramma op tv gestalte te geven. Hij en Bernard Hulsman zijn gefascineerd door laatste liederen. “Wie een studie maakt van zwanenzangen in de popmuziek, kan drie soorten onderscheiden. Er zijn de liedjes van artiesten die hun dood zagen aankomen, zoals de zieke Freddie Mercury en Bob Marley. Er zijn de toevallige laatste opnamen van zangers als John Lennon en Buddy Holly, die door bruut geweld of domme pech van het ene moment op het andere moment ten hemel voeren. En er zijn de Famous Last Songs van de zogeheten rock ‘n’ roll suicides, sterren als Janis Joplin en Kurt Cobain, die rechtstreeks afstevenden op een zelfverkozen dood,” schrijft Steinz. De memorabelste liedjes blijken gemaakt te worden door hen die hun dood (door ziekte of zelfdestructie) voorvoelden. Orly (Jacques Brel), Love will tear us apart (Ian Curtis), Riders on the storm (Jim Morrison): alle hebben ze een bijna hypnotiserende sfeer, alsof de zanger ons iets vertelt wat wij liever niet willen weten, maar waar we wel door gefascineerd worden. (Sitting on) The dock of a bay van Otis Redding is ook prachtig, maar heeft niet dat verontrustende. Geen wonder, want Otis zong dit in totale onwetendheid van het vliegtuigongeluk dat hem twee dagen erna zou overkomen.
    Zwanenzangen bevat allerlei wetenswaardigheden, die meestal de onontkoombaarheid van de dood van de artiest in kwestie aangeven, of een aspect ondersteunen dat al uitgebreid in diens teksten naar voren kwam. Zo zingt Robert Johnson in zijn laatste lied: “You may bury my body/down by the highway side/so my evil spirit can catch a Greyhound bus and ride.” Niet lang daarna kreeg hij een met strychnine aangelengd glas whiskey aangeboden door de echtgenoot van een van zijn vriendinnen. Het aardige is nu, dat niemand precies weet waar zijn graf is. Volgens blueskenner Robert Palmer ligt hij op een baptistenkerkhof in Morgan City, een oude ex zegt zeker te weten dat hij rust in een kapel in Quito, en een andere blueshistoricus sprak met de 86-jarige weduwe van de grafdelver die Johnson gewoon had begraven op het kerkhof van de plantage waar hij was gestorven. Drie graven: dan kan zijn evil spirit wel een Greyhound bus gebruiken.
    Bob Marley wist dat hij ging sterven en bezong in Redemption song het verlangen naar verlossing op een manier die een gevoel van troost en verzoening oproept. Hij had kanker, net als Jacques Brel, die ook wist dat hij zijn laatste lied opnam. Maar Orly brengt geen troost. Dat het Brel’s laatste lied is, wist ik niet; ik dacht altijd dat het gedragen Les Marquises dat was. Met de uitleg van Pieter Steinz in mijn achterhoofd begrijp ik het lied nu heel anders. Brel beschrijft hoe hij op het vliegveld Orly een man en een vrouw afscheid ziet nemen. En niet voor even, zo merkt Steinz op, maar voor altijd. De vrouw ziet verlamd van verdriet hoe de man van haar wegloopt en wordt opgeslokt door de trap. Dit afscheid is niet een beetje sterven, dit ís het heengaan. Brel's zwanenzang laat je, net als de dood, verslagen en met lege handen achter. 
 C. Sittenfeld: Prep; € 12,50
“Het is fijn om er niet bij te horen” zingt Henny Vrienten in zijn gelijknamige lied. Klinkt goed, maar deze boodschap is niet besteed aan iemand die in de puberteit zit. Draag ik de juiste kleren, is mijn muzieksmaak wel cool, hoor ik bij de juiste groep? Allemaal vragen waarover je je nooit zeker voelt. Gelukkig zit je af en toe thuis, in je eigen kamer, waar je niets hoeft op te houden en op je gemak Kate Bush kan draaien. Maar wat als je geen eigen kamer hebt en constant omringd bent door leeftijdgenoten, zodat je altijd op je qui vive moet zijn? Deze situatie heet kostschool en in het geval van Lee Fiora, de hoofdpersoon uit de roman “Prep” van Curtis Sittenfeld, is er nog een complicerende bijkomstigheid: haar kostschool, Ault, is een nogal prestigieus internaat voor rijkeluiskinderen. De ouders van Lee zijn echter allesbehalve rijk. Lee had zich voor Ault opgegeven om zich aan haar milieu te ontworstelen, maar er is geen plek waar ze zoveel aan haar afkomst herinnerd wordt als daar. Lee’s gevoelens worden fijnzinnig en gedetailleerd beschreven, en zo leren we haar begrijpen. Ook als ze haar ouders schoffeert als die na een jaar een keer op bezoek komen. Ook als ze, op ziekenhuisbezoek bij een vriendinnetje dat een zelfmoordpoging heeft gedaan, met een smoes de kamer verlaat en het hospitaal ontvlucht. 
    Nou heb ik zelf op kostschool gezeten en behoorlijk geworsteld met het masker dat je moest ophouden. Leerling 1 was alleen geïnteresseerd in muziek, nr. 2 vertelde schunnige grappen over meisjes, en nr. 3 liet foto's zien van de dure auto van zijn vader. Je speelde Risk en tafeltennis en dat was het. Pas jaren later hoorde je dat leerling nr. 1 jarenlang verliefd was op Ida van Hoof, nr. 2 homo was en nr. 3 zijn vader nooit had gekend. Nooit iets van gemerkt, nooit naar gevraagd. Sittenfeld schrijft: “En waar praatten we dan tijdens het eten over? Over docenten of films of de voorjaarsvakantie. Alleen over wat je deed; je was gezellig, je reageerde op elkaar. En de dingen die je zei, de wandeling van de kapel naar school, je rugzak, de toetsen, die vormen een brug over het kolkende water van wat je werkelijk voelde. Het ging erom te leren negeren wat daaronder lag.” 
En over verliefdheden zweeg je al helemaal. 
    Lee is verliefd op Cross, een jongen uit hetzelfde jaar als zij. Ze krijgen wel iets met elkaar, maar zij wil niet dat dat bekend wordt. Als hij het uitmaakt aan het eind van haar schooltijd staat ze met lege handen en beseft ze dat ze te hoge verwachtingen had. In haar tweede jaar wijst ze een jongen af, Dave, omdat ze bang is dat ze zichzelf devalueert omdat hij maar de keukenhulp op Ault is.
    De puberteit is een stormachtige leeftijd en ik verlang er niet naar terug. Al die onzekerheden die ik maskeerde met stoer gedrag. Al dat dédain voor wat ik niet kende. Had ik toen “Prep” maar gelezen. Misschien had ik dan begrepen dat ik niet zo bang moest zijn en had ik Ida durven voorstellen patat te gaan eten bij Vita Nova, de nabij onze school gelegen snackbar, zonder steeds te denken aan wat er fout zou kunnen gaan. We zitten achter in de snackbar. Ida draagt die donkerrode trui die haar zo mooi staat. Ze lacht om een opmerking die ik niet grappig bedoel, en ik lach zelf ook. We bestellen patat, drinken cola en na een halfuur gaan we weer naar buiten. Er is niemand die op ons let. Het schemert en het is koud, maar sommige takken lopen al uit en er zingen alweer merels. Al die tijd vraag ik me af of we zullen zoenen als we afscheid nemen. 
    “...ik besef niet dat het veel belangrijker is dat ik deze wereld ben binnengegaan, dat ik veel eerder zal gaan begrijpen (dat wil zeggen, veel eerder in dit gefantaseerde leven dan in mijn echte leven) wat het inhoudt om een afspraakje te hebben: dat het niet per se heel bijzonder hoeft te zijn. Geen obsessie of niets, liefde of desinteresse. Er is een middenweg. Vooral ’s winters, wanneer het soms gewoon leuk is om je een beetje op te doffen en met iemand anders het donker in te gaan.”

 K. Brockmeier: De kleine geschiedenis van de doden; € 19,95
Soms geven wij boeken weg. Vaak zijn dat voorproefjes van boeken die nog moeten verschijnen of net verschenen zijn. Op een zondag begon ik te lezen in zo’n voorpublicatie met de eerste vijf hoofstukken uit “De geschiedenis van de doden” van Kevin Brockmeier. De korte inhoud van het boek sprak me wel aan: Iedereen die overlijdt gaat naar De Stad. Pas als er niemand meer leeft die zich de overledene herinnert, verlaat je De Stad. Op een dag verdwijnt bijna iedereen. Er blijkt een dodelijke epidemie op aarde te zijn uitgebroken. Degenen die overblijven kennen allen één vrouw. Deze vrouw, Laura, zit eenzaam op de Zuidpool. Haar reisgenoten zijn terug naar het basiskamp gereisd om uit te zoeken waarom elk contact verbroken is. Als lezer zie je de bui al hangen; toch las ik gefascineerd door en toen ik de voorpublicatie uithad, was ik te nieuwsgierig om te kunnen stoppen. Zou Laura het in haar eentje redden om ook terug naar het basiskamp te gaan? Wat zou ze daar aantreffen? Wanneer zouden de mensen in De Stad doorhebben wat er aan de hand was? Ik besloot niet tot maandag te wachten en reisde naar Pantheon om het hele boek op te halen. 
    ’s Avonds las ik het in één ruk uit. Hoewel ik eigenlijk niet houd van boeken met een onwerkelijk uitgangspunt, ging ik moeiteloos mee in de fantasie van Brockmeier, die de spanning goed doseert en meeslepend toewerkt naar het onvermijdelijke. Maar wat vooral zo pakte, waren de gedachten die de mensen in De Stad hebben over hun leven op aarde. Zo blijken ze ze zich vaak kleine gebeurtenissen uit hun leven te herinneren waarvan ze nooit hadden gedacht dat die achteraf enige betekenis voor ze hadden. Iemand herinnert zich hoe hij eens uit een grote stapel blikjes één blikje had getrokken zonder dat de stapel ineenstortte, en verwondert zich erover hoe hij zich het gelukzalige gevoel dat hij toen kreeg zo weer voor de geest kan halen. 
    Later, als iedereen in De Stad beseft dat ze nog slechts voortleven in de herinnering van Laura, filosofeert een vriend van Laura over wat dat eigenlijk is, iemand kennen. En hoeveel mensen je in je leven eigenlijk kent. Hij schrijft iedereen op, van zijn vroegste kindertijd tot aan zijn dood, en komt op duizenden personen. Wat deze filosofieën zo leesbaar maakt is dat Brockmeier mooie, weemoedige herinneringen oproept. En het zette mij aan het denken. Wie zou er allemaal overleven in De Stad als ík de laatste mens op aarde was? Mijn dochter, mijn ouders, familie, vriendinnen, vrienden en kennissen. Maar ook de patatboer die midden jaren tachtig zulke heerlijke zelfgemaakte frites bakte op de Dappermarkt. En tot zijn eigen verbazing zou zich daar ook de toenmalige bedrijfsleider van de Jacques Hermans-supermarkt uit de Borneostraat bevinden. Ik weet nog hoe deze altijd norse man op een keer uitviel tegen een caissière die de buitendeur te lang had opengelaten, zodat de dikke rode huiskat was weggelopen. ‘Je weet dat Poekie er zo vandoor kan gaan. Het is daarbuiten levensgevaarlijk voor hem.’ Dagen daarna zag ik hem nog ontredderd op straat lopen zoeken. Hij en Poekie zouden in mijn Stad wonen. Net als Mariangela, die naast me zat in de kleuterschool. Ik had straf, geen idee meer waarvoor, moest huilen en zij leende me haar zakdoek. Later hebben we nog eens samen gespijbeld. De hele middag stonden we verscholen achter een boom, uit angst dat zuster Philomena ons zou zien. Toen de school uit was liepen we opgelucht naar huis. Zij kon niet bij de bel van haar ouderlijk huis, ik wel. ‘Wat ben jij al groot!’ zei ze bewonderend. Veel trotser kon ik niet zijn. Het jaar daarop verhuisde ze en ik heb haar nooit meer teruggezien. 
    Ieder hoofd zit vol mensen en als je aan de goeden denkt, wordt je een beetje gelukkig. Het is de verdienste van Kevin Brockmeier dat ik me dat allemaal realiseerde toen ik zijn boek las.

(Leo Kenter)

Terug naar overzicht