De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet (tip van Liset)

De Niet Verhoorde Gebeden van Jacob de Zoet – David Mitchell
Het is altijd weer een risico om het nieuwste boek van één van je favoriete schrijvers onder handen te nemen. Zou het net zo mooi en knap zijn als zijn vorige boek, in dit geval Wolkenatlas, een boek waar ik tamelijk ondersteboven van was of wordt het een teleurstelling en kan het de hooggespannen verwachting niet waarmaken?
Ik ben dus niet teleurgesteld want weet u, als ik het een rot boek had gevonden zou ik het hier helemaal niet bespreken.
   Het verhaal van Jacob de Zoet speelt op Deshima, het kunstmatige eiland voor de kust van Nagasaki waar de Hollanders van 1641 tot 1859 een handelsnederzetting hadden.
Japan was in die VOC-tijd een zeer gesloten land waar de contacten tussen Hollanders en Japanners tot een minimum werden beperkt.
Mitchell, die zich gedegen heeft georiënteerd op de geschiedenis van de VOC en de Hollanders op Deshima, noemt Deshima een soort kattenluikje waardoor handel gedreven werd, aan de ene kant werden goederen als zilver en koper geëxporteerd maar omgekeerd kwam kennis onder andere de westerse geneeskunst Japan binnen.
De periode waarin Mitchell zijn verhaal plaatst is een vrij bijzondere omdat de Republiek der Zeven Provinciën op dat moment niet meer bestaat, Holland was onder franse bezetting gekomen en zodoende was Deshima eigenlijk de enige plek waar de Hollandse driekleur nog wapperde. En dat had natuurlijk gevolgen voor de mannen op Deshima en dus ook voor onze held Jacob de Zoet.
Het is eind 1799 als de ietwat stijve klerk De Zoet – een steile calvinistische Zeeuw - in dienst van de VOC op Deshima komt. Hij denkt in één jaar fortuin te maken en naar huis terug te keren om dan met zijn verloofde Anna te kunnen trouwen, natuurlijk loopt het anders.
Hij is uitgezonden om de boeken van de handelspost op Deshima te controleren en de corruptie aldaar op te sporen en te stoppen. Hij loopt tegen een hoop corrupte lieden aan, ruwe ongemanierde mannen met naar ik vrees een echte VOC mentaliteit, gekonkel en achterklap, zijn neus wordt meteen de eerste dag al  scheefgeslagen en geliefd maakt hij zich bepaald niet als hij weigert met de heersende corruptie mee te doen.
Hoewel hij een vriendin thuis heeft valt hij als een blok voor Orito, een Japanse vroedvrouw die bij hoge uitzondering op Deshima mag komen en lessen mag volgen bij de arts Marinus. Maar er zijn meer kapers op de kust zoals Ogawa een tolk en ook Enomoto, een hele erge griezel, heeft zo zijn eigen bizarre plannetjes met Orito. De rangen en standen in het Japan van 1799 lagen erg vast en macht was absolute macht en Enomoto heeft macht.
   Een flinke hoeveelheid figuren komt de eerste hoofdstukken voorbij, tolken van vele rangen en standen, magistraten en andere hoogwaardigheidbekleders en dan ook nog de bewoners van Deshima met hun slaven waar overigens niet erg zachtzinnig mee wordt omgesprongen  en dat maakt het begin van het boek wat stroef om door te komen maar dan als iedereen er is en de lijnen zijn uitgezet gaat Mitchell helemaal los, zal ik maar zeggen.
De Zoet raakt verstrikt in vuile spelletjes zowel bij de Hollanders onderling als bij de Japanners en dan wordt hij ook nog verliefd en dat mag niet, niet van zijn geloof maar ook mogen Japanners helemaal niet met de Hollanders omgaan tenzij je tolk, koopman of prostituee bent. Verraad, ontvoering, moord, liefde, moed, geschonden vertrouwen en de voor ons vreemde Japanse rituelen en bizarre beleefdheden komen voorbij.
In een echt prachtig boek met prachtige zinnen en dito beschrijvingen leef je intens mee met De Zoet en Orito, lig je ’s nachts veel te lang door te lezen omdat een ontvoering, een ontsnapping en een bevrijdingsactie te spannend zijn, zit je in het openbaar vervoer hardop te roepen: pas nou toch op! En rij je op je fiets bijna tegen een tram omdat je niet wilt stoppen met lezen.
En nu heb ik het uit.
En alweer laat David Mitchell mij sprakeloos achter, deze keer kon ik een kleine snik niet onderdrukken.
Zo’n mooi boek!
Ik heb echt afscheid moeten nemen van Jacob de Zoet en alle andere figuren in dit boek.
Raar eigenlijk dat je ademloos door een boek snelt want je moet weten hoe het verdergaat en hoe het afloopt en als het dan uit is en je slaat het boek dicht vind je dat heel erg en blijf je verweesd achter op zoek naar een zakdoek en bij gebrek daaraan ligt er nu een tamelijk vies T-shirt in de wasmand.

De Groentevrouw (Groot gedoe boek), door Marjan Luif en Camille Verbunt
Als u de laatste tijd geregeld gehinnik en slappe lachgeluiden in onze winkel hoorde dan is dit de oorzaak: Het Groot Gedoe Boek van de Groentevrouw. Een prachtboek vol met fijne knutseltips, zelf-doe-dingen en gewone tips om je dag een beetje door te komen. De Groentevrouw is een soort lokale combi van Klazien uit Zalk en Bridget Jones, gelukkig iets minder neurotisch en minder zweverig (laat dat maar aan haar dochter over) en zeker meer direkt. Moedig slaat zij zich een weg door het dagelijks bestaan. En dat slaan moet dan ook letterlijk genomen worden want regelmatig worden er hengsten en drijvers uitgedeeld. In dit prachtboek wordt ons een kijkje in het leven van de Groentevrouw gegund en het is echt niet altijd even makkelijk hoor, groentevrouw zijn, of omgebouwde buurman, die dan wel weer oprecht gesteund wordt in haar gooi naar een medaille kogelstoten op de olympische Spelen in Beijing (dat loopt niet helemaal goed af, drank en zo, gatverdamme). Maar in wat voor bizarre situaties onze Groentevrouw ook verzeild raakt, ze probeert op creatiefgewelddadige wijze er het beste van te maken.

Zeer verhelderend is haar Ganzebordspel met als thema de dagelijkse boodschappen in de buurt. Is voor de meer evenwichtige mens boodschappen doen een gewoon bezigheidje, zo niet voor de Groentevrouw die bij de slager door haar toevallig passerende vegetarische buurman tot het uiterste getergd wordt. Dit leidt tot een geweldsexplosie waarbij een varkenslap van anderhalf pond als wapen ingezet wordt en in het gezicht van de buurman terecht komt. Dat kost geld en bij het ganzeborden ga je dan drie plaatsen terug. Gatverdamme.

Op iedere bladzijde valt wel iets te beleven, hoe haar buren in hun verslavingen bijgestaan worden, borduren is wel leuk als je maar weet wat je moet doen, een rookworst borduren bijvoorbeeld, echt gezellig. Ook komt Bob Ross nog even voorbij en toen moest ik zo lachen dat een zout dropje dat ik zojuist in mijn mond had gestoken in mijn neus terecht kwam en daar de rest van de middag bleef zitten, gatver. Een waarschuwing is hier dus zeker op zijn plaats.

Al de belevenissen en tips van de Groentevrouw resulteren in een verbluffend boek: indringend en confronterend. Er zijn meer handboeken voor ’t dagelijks bestaan geschreven maar hier heeft u een boek in handen: meeslepend, geestig, verontrustend, het grijpt je op bepaalde momenten naar de strot en laat je niet meer los. Een boek vol woede, lust en een niets ontziende zoektocht naar rechtvaardigheid waarbij noodzakelijk geweld niet geschuwd wordt.

Wat kan ik meer zeggen dan "onderga dit boek"

Liset, met pijn op de lachspieren,Gatver!


Larsen, R. – The Selected Works of T.S.Spivet
In het Nederlands vertaald als De Verzamelde Werken van T.S Spivet.
Ik heb dit boek in het Engels gelezen omdat ik die uitgave er zo mooi uit vind zien. De vormgeving van dit boek is namelijk erg belangrijk ( de Nederlandse is ook mooi hoor). Het boek staat stampvol met prachtige tekeningen, schema’s, kaarten enz.enz. Deze tekeningen, veelal in de brede kantlijnen van de pagina’s geplaatst, zijn niet zomaar terzijdes of voetnoten, ze zijn een zeer wezenlijk onderdeel van het boek.
T.S. Spivet (Tecumseh Sparow, (hier zou een langdurige erg grappige uitleg van zijn naam moeten komen maar die leest u maar fijn zelf in het boek)) is een briljante 12-jarige cartograaf, cartograaf in de breedste zin van het woord, alles maar dan ook echt alles wordt in kaarten en schema’s vastgelegd, hoe zijn zuster Gracie de maïskolven schoonmaakt, de frequentie van slokjes whisky die zijn vader neemt, iedere 45 seconden, grote slok, kleine slok, kleine slok, kleine slok, grote slok, etc.etc. ( je zou gek worden van zo’n jongetje) hoe een geluidsandwich er uit zou zien, alles wat hij meemaakt, you name it en T.S. brengt het in kaart.
Maar de grootste gebeurtenis, de dood van zijn broertje Layton, laat zich moeilijk in kaarten en schema’s vastleggen.
Dit grote verdriet wordt binnen de familie eigenlijk niet besproken; moeder, een wetenschapster trekt zich terug in haar studeerkamer, vader een toch al zwijgzame cowboy die het meest met Layton optrok, trekt zich in zichzelf terug en zijn zuster Gracie pubert zwaar door op haar meisjeskamer.
Eerst wordt bijna achteloos over het ongeluk van Layton, waarover T.S. zich erg schuldig voelt, gesproken maar gaandeweg het verhaal merk je hoe groot, te groot eigenlijk voor deze 12-jarige, dit is.
Ik vind dit gegeven heel mooi in het verhaal verwerkt. Niet dramatisch, geen tranentrekkerij, maar met grote regelmaat komt deze dramatische gebeurtenis en het gemis aan Layton naar voren.
Omdat T.S. zo prachtig kan tekenen en prachtige wetenschappelijke tekeningen van insecten kan maken, heeft een leraar een paar tekeningen naar het Smithsonian gestuurd en prompt wordt T.S. gebeld door meneer Jibsen die hem vertelt dat hij de belangrijke Baird Award heeft gewonnen. Die moet hij zelf ophalen en dan ook meteen een toespraak houden. Klein detail: bij het Smithsonian heeft men niet door dat T.S. pas twaalf is.
Het verslag van het telefoongesprek met mr. Jibsen die zwaar slist, is echt zo grappig, tussendoor wordt ook nog even uitgelegd waarom in huize Spivet het telefoonsnoer 100 meter lang is, heeft te maken met puberende Gracie.
T.S. besluit om de prijs in ontvangst te gaan nemen en vertrekt zonder iets te zeggen van huis om de lange reis van Montana naar Washington te ondernemen, hij springt op een goederentrein als een echte zwerver/hobo, dan volgt weer – een erg grappige uitwijding - over hobo’s en hoboïng waarover hij geleerd heeft op school. Op school wordt iedereen trouwens ook een beetje gestoord van deze hyperwijsneus.
Onderweg ontmoet hij vreemde types, onder andere een medezwerver die middels de hobo-hotline (huh?) de juiste treintijden kan doorgeven.
In zijn bagage heeft hij behalve een aantal kompassen en sextanten en een theodoliet ook een notitieboek van zijn moeder waarin een familiegeschiedenis verteld wordt en zodoende komt T.S. erachter dat ook zijn betovergrootmoeder net als hijzelf een wetenschapper was.
Gedurende de treinreis wordt er van alles en nog wat besproken en in kaart gebracht natuurlijk, ruziënde kinderen op de achterbank van een auto die gelijk op met de trein rijdt, deze kinderen spelen een touwfiguur-spelletje en dat wordt dan weer bijzonder grappig geïllustreerd, The McAwesome Trident of Desire over waarom het eten van McDonald onweerstaanbaar is, het figuurtje wat hij bij zijn McDonald eten krijgt, een indianenfiguurtje waar de verf van de ogen net scheef zit zodat die een heel raar gezicht heeft gekregen.
Herinneringen aan Layton die met z’n spidermanpak aan met z’n fietsje van het dak af croste nadat ze E.T. hadden gezien, hoe T.S. Gracie bijkans heeft geëlectrocuteerd met een zelfgebouwde leugendetector, enzovoort.
Uiteindelijk komt hij in Washington aan en ontmoet hij mr. Jibsen die in de ochtend een stuk minder slist dan in de avond, dat heeft wellicht te maken met de getijden, snapt u wel, dat de zwaartekracht dan op bepaalde momenten meer aan zijn lippen trekt dan op andere momenten, (natuurlijk voorzien van wetenschappelijke tekening)
Een hoop verwarring ook omdat T.S. pas twaalf is maar afspraak is afspraak en hij gaat zijn toespraak houden, een ontroerende toespraak, geen wetenschappelijk relaas maar over wat hem echt bezighoudt, zijn familie en de dood van zijn broertje.
Verder loopt in Washington alles een beetje, eigenlijk helemaal, anders dan verwacht maar met T.S. komt het uiteindelijk wel goed, gelukkig maar, want dan heb je dit menneke met zijn maniakale drift alles in kaart te willen brengen al helemaal in je hart gesloten.

’t Is een bijzonder boek en dat is het.


Lenstra, A.: Voetballen doe je zó
Met diverse Wk’s en Ek’s en mijn part de intergalactische kampioenschappen voor de deur wordt het misschien eens tijd enige ideeën betreffende de regels van het edele voetbalspel aan het beeldscherm toe te vertrouwen.
Want laten we welwezen van die wedstrijden die in 1-2 eindigen en waar je dan eindeloos naar heb moeten kijken daar wordt een mens echt niet vrolijk van. Ja, dikbetaalde mannen die na zo’n uitputtingsslag ook nog eens 2 x drie kwartier gaan zitten zwatelen over de vorm van de dag, de moraal en meer oninteressante zaken, die worden daar vrolijk van. Het gros van de natie heeft zich dan echt allang geeuwend van het scherm afgewend.
Aangezien ik als ik voetballen moet zien dat in het café ga doen, (dat verzacht dan de pijn een beetje) vatten mijn briljante ideeën voor het opkwikken van het spel niet echt post. Men gaat in het café namelijk ook heeel erg zitten kakelen over moraal en vorm enzo, in het café!!!! vorm en moraal!!!! Haaa!!!
Kortom niemand luistert daar echt naar mij, sterker nog als je na een verloren wedstrijd allerlei sip kijkende mannen wilt opvrolijken door te zeggen "ach jongens, het is maar een spelletje" worden ze opeens heel atletisch en dan gaan ze barkrukken liften. Tssss.
Dus om het voetbalspel voor iedereen wat te bieden geef ik nu gratis en voor niks een paar ideetjes weg.
Om te beginnen is 2x drie kwartier echt te lang, 30 minuten is meer dan genoeg.
Er moet ook met meer ballen gespeeld worden en die ballen hebben ook nog eens verschillende kleuren en leveren daarbij verschillende punten op (denk hier even aan poolbiljart) op de tribunes moet er dan ook heel erg goed opgelet worden en de toeschouwers moeten goed gaan tellen en reken en dat zal ze leren!
Geen gedonder meer met debiele spreekkoren daar hebben ze dan eenvoudig geen tijd en energie meer voor.
Die gekleurde ballen worden niet zomaar in het veld gebracht, daar moet dan eerst zoveel keer voor over de zijlijn getrapt zijn en het moet zoveel keer buitenspel geweest zijn etc. etc. dat moet nog een beetje uitgewerkt worden, maar dan gaat er dus een signaal en dan wordt er van vier kanten ballen in het veld gegooid. En dan kunnen de jongens zo’n 6,5 minuut helemaal loos gaan.
Het strafkaartengedoe wordt ook aangepakt er komt bijvoorbeeld voor aanstellers die om het minste geringste gaan liggen piepen een grote, voor iedereen zichtbare, roze kaart, let op mijn woorden dat vervelende gedoe is zo over.
De straffen worden trouwens helemaal aangepakt, voor vervelende overtredinkjes worden spelers voor een minuut of wat het veld uitgestuurd maar dan mogen ze niet op de bank gaan zitten, nee, ze krijgen dan een ezelsmuts op en moeten bovendien meteen een straftaakje uitvoeren, zoiets als de lijnen een beetje bijwitten, de reclameborden schuieren of de doelpalen sponzen of zoiets, ach er altijd wel iets te bedenken voor die jongens.
En al die herhalingen moeten ze vanaf nu ook zelf en bovendien in slowmotion doen.

Ach ja, het boek van us Abe, dat zal ik door een echte fan laten bespreken.

Bovenstaande overpeinzingen borrelden op in het gemoed van een van mijn collega’s, terwijl we ruzieden (nee, niet in werktijd, in onze lunchpauze) over welke sport nu het allermooiste was. Tennis of voetbal. U, de klanten van Pantheon, kiest, net als ik, voor voetbal. Terecht. Dat weet ik omdat we, uiteraard, veel meer voetbal- dan tennisboeken verkopen.
Terwijl mijn collega, zonder een woord van toelichting, het (niet tientallig) telsysteem de hemel inprijst, dat eigen schijn te zijn aan tennis, droom ik van de ideale voetbalwedstrijd. Zo’n wedstrijd die zich als een even machtig als subtiel ballet voor je ogen ontrolt.
Zo’n wedstrijd waar, als je geluk hebt, zich per generatie, er drie van voordoen. Zo’n wedstrijd dus. Het zouden er meer kunnen zijn, wanneer heel de wereld kennis kon nemen van het boek van Abe Lenstra, getiteld Voetballen doe je zo.

Dan zie je weer waarin een klein land groots kan zijn. (€ 19,95 en actueler dan ooit).


Rokjesdagen? Of: hoe Kloos ook weer eens aan komt waaien.
't Was nat en koud en toch echt wel aan de frisse kant de afgelopen dagen maar dat leek een grote horde mannen er niet van te weerhouden de muur van Hadrianus over te komen om hier op het vaste land "rokjesdag" te gaan vieren. Grote stoere kerels in geruite rokken, sorry kilts, met opvallend dikke kuiten kwamen op enorme bergschoen, minstens maat 64, van de Highlands naar de lage landen om ook nog iets met oranje dwergen uit te vechten, of zoiets, in ieder geval heel belangrijk.
In onze boekwinkel moesten we geinige hoedjes uitdelen, om deze reuzen gunstig te stemmen denk ik.
De dagen voorafgaand aan de clash of civilisations tussen blauw en oranje werd er volop cultuur gesnoven (yeah, right) en daarbij een kleinigheidje genuttigd.
Het werd in mijn buurt steeds gezelliger, hoewel de dagelijkse boodschapjes wel enigszins werden bemoeilijkt omdat ik (1.58 meter) mij door grote drommen Schotse reuzen in diverse stadia zal ik maar zeggen moest zien te wringen. Dat je toch zo uit de kluiten kan schieten op een dieet van haggis, whisky en lauw bier geloof je niet als je deze oermensen niet zelf hebt gezien.
En terwijl ik met prei en worteltjes huiswaarts keerde was ik nog getuige van een vrolijk tafereel. Het kruispunt tegenover mijn huis was geheel in beslag genomen door drie giganten in blauwgeruite kilt; ze waren vrolijk aan het zingen en dansen (op en neer springen), fietsers en wandelaars zochten een goed heenkomen, af en toe werd er iemand die uit het café op de hoek kwam omhelsd waarna deze lichtgewond weer naar binnen wankelde. Het zingen en dansen verplaatste zich na drie onduidelijke liederen naar stoep en terras waar de overmoedigste van het stel zich in niet geheel rechte lijn naar de stoelen begaf (doe dit nou niet, dit loopt niet goed af dacht ik - ervaringsdeskundige - nog). Afijn er werd heel erg kort toch nog heel even op een stoel gedanst ( op en neer gesprongen) en toen lag een moedig doorzingende Schot verkreukeld tussen verkreukeld terrasmeubilair.
Dit alles brengt mij natuurlijk tot de grote schrijver Kloos; dansende Schotten zijn leuk om te zien maar je moet er wel iets te drinken bij hebben, aldus geschiedde.
Dus over Kloos wellicht een andere keer meer.

Biesheuvel, J.M.A.: Hoe De Dieren In De Hemel Kwamen

Een gouwe ouwe
Een troostrijk werkje voor al die mensen die na al hun schaatsavonturen nu met versplinterd been noodgedwongen thuis zitten.
Want terwijl de hele natie (Friesland uitgezonderd) met bevroren tenen zich van wak naar kluunpost haastte heb ik deze arctische pret links laten liggen en ben ik bij een gezellig snorrende kachel wat gaan grasduinen in mijn boekenkast.
Ach wat heerlijk om dan bij de B van Biesheuvel het juweeltje “ Hoe de dieren in de hemel kwamen” weer eens aan te treffen.
Een geweldig boekje met prachtige houtsneden van Charlotte Mutsaers en, hoe toepasselijk, op de omslag het ontroerende prentje van een door een sneeuwjacht voort zwoegend konijnenpaar (Annie en Nijn)
Het boek begint met het verhaal “ Die aardige Beer” over deze twee onfortuinlijke konijnen die door de bittere, snijdende kou op weg zijn naar Beer.
En dat begint zo: “Er liepen eens, bij rillingwekkende koude, twee konijnen door een verlaten bos. De wind gierde door de kale takken der bomen en het hagelde flink. ‘ Wat is het toch koud, hè? zei het vrouwtje dat Annie heette. Ja, zei het mannetje dat Nijn heette, het is niet voor te stellen hoe koud het is, ik heb het van mijn leven nog niet zo koud gehad, geloof ik, wat daar nou weer de bedoeling van mag wezen.”
   Gelukkig bereiken ze het huis van Beer genaamd ‘ In Leven! Huis Van Beer’  en dan wordt het ook nog heel gezellig en dat het huisje van Annie en Nijn met alles wat ze in jaren hadden opgebouwd is afgebrand (omdat Nijn een pijpje was gaan roken en toen in slaap was gesukkeld) lijkt dan opeens ook niet zo heel erg meer.
Dan volgt het titelverhaal wat begint met een hoop gedoe in de hemel, God heeft zijn voet gekneusd, iedereen loopt maar wat te lanterfanten, Jezus ligt de hele dag op zijn bed en Maria heeft woorden met wat heiligen over de pudding van de vorige avond en dan volgt er ook nog een ruzie tussen God en St. Christoffel en toen heb ik daar zo verschrikkelijk om gelachen dat ik, ondanks dat ik laf niet was gaan schaatsen, toch nog licht gewond ben geraakt.
Afijn, Christoffel wordt in de gedaante van zeven poezen naar de aarde teruggestuurd en mag pas weer terug komen als alle poezen van ouderdom zijn gestorven.
Vele verwikkelingen volgen maar uiteindelijk komt Christoffel (met zijn vriendin Gina) terug in de hemel.
Maar dan wordt bij zijn vriendin een poesje geboren (ja, dat kan!) Iedereen in de hemel houdt natuurlijk erg veel van dit poesje maar dan gaan de hemelingen lopen zeuren en mekkeren dat zij hun overleden dieren ook weer willen zien, God heeft daar aanvankelijk helemaal geen zin in maar ach hij is ook de beroerdste niet en aldus gaat de Heer der Heerscharen morrend akkoord. En zo kunnen wij als onze tijd daar is gerust de ogen sluiten in de wetenschap dat er ook dieren in de hemel zijn.
Ik zou zeggen, spit uw boekenkast om en herlees dit werkje ook weer eens, heeft u het niet probeer het dan tweedehands of op internet te pakken te krijgen.

M. Chabon, M.: Heren van de weg; € 17,95
(Illustraties van Gary Gianni)
Na de Jiddische Politiebond ( lees ook dit boek!! )  heb ik alweer zo’n prettig boek van Michael – de man van de ronkende zinnen – Chabon gelezen. Deze schrijver beheerst vele stijlen; was het in de Jiddische Politiebond het genre van de hardboiled detective, in Heren van de Weg is het de schelmenroman. Oorspronkelijk is dit als 15-delig feuilleton in The New York Times Magazine verschenen. Chabon wilde dit boek eigenlijk Joden met Zwaarden noemen, maar dat werd niet erg serieus genomen. Men zou misschien te veel denken aan een neurotische Woody Allen die zich onder een spervuur van wisecracks uit de voeten maakt. In zijn nawoord legt de schrijver nog het een en ander uit.
   Geheel in stijl van een ouderwetse avonturenroman verhaalt dit boek over het wedervaren van Amram, een grote joodse Abessijn, gewapend met een kolossale bijl voorzien van runentekens die een belediging aan het adres van je moeder inhouden, en de Frankische jood Zelikman, een magere doch zeer listige bonenstaak, tevens groot hoedenliefhebber.
Het is in het begin van dit boek even doorbijten bij de lange zinnen, vele bijzinnen, bijzaken en rare woorden. Maar kijk als het eerste hoofdstuk al heet: “Over onmin, zijnde het gevolg van buitensporige gehechtheid aan een hoed “, moet je enigszins gewaarschuwd zijn. Maar Nee! dan kan je je gaan verheugen op een tamelijk waanzinnig verhaal over twee avonturiers/ schelmen/ oplichters/ paardendieven/struikridders  “a long way from home”.
Ze rollen al ruziënd van het ene avontuur in het andere tijdens hun pogingen de door hen op sleeptouw genomen jonge prins Filaq, de zoon van de vermoorde vorst van Chazarië, een joods keizerrijk aan de Kaspische zee, thuis te brengen, Aan Zelikman en Amram is namelijk de schone taak gegeven om voor Filaq de troon te heroveren op de wrede Boeljan.
Onderweg krijgen onze helden het flink te stellen met deze Filaq die een explosief typje blijkt te zijn met meer en ergere scheldwoorden op zijn repertoire dan kapitein Haddock, moeten ze afrekenen met Noormannen die allen aan een leverkwaal leiden, krijgen ze te maken met vroegere kennissen in de vorm van stampende olifanten, komen tot rust bij prachtige prostituees met even prachtige namen als Bloem des levens of Hemelse Hinde en o ja, ze moeten ook nog een revolte leiden om Boeljan ván en Filaq óp de troon van Chazarië te krijgen.
Zal hen dit gaan lukken?
Lees, huiver en vermaak u.
Voor een extra gevoel van “ ouderwets” avonturenboek is het boek geïllustreerd en voorzien van een kaart van Chazarië en omstreken wat een soort Brief voor de Koning gevoel geeft.
Kortom weer een erg prettig boek van Chabon. Leuk toch een boek te lezen waar de lol van het schrijven zo van de bladzijden spat.

Lewycka, M.: Een korte geschiedenis van de tractor in de Oekraïne; €10,-
Iedereen heeft denk wel een plankje  “moet ik nog lezen”  met daarop schuldgevoel aanwakkerende (meester)werken waar je door echt, echt heel goede redenen maar niet aan toe komt.
De tractor in de Oekraïne dus.
Ik ben blij dat ik dit nu gelezen heb, ik heb me er nogal mee vermaakt.
Het is een licht alarmerende vertelling over een oude vader – Nicolai – die op zijn oude dag de veel en veel jongere op geld en westerse luxe beluste Valentina uit Oekraïne trouwt. Een voluptueuze blondette op roze muiltjes, voorzien van nieuwe door Nicolai betaalde borsten (ach nee hè, zeggen de dames, oh ja! zeggen de mannen). Aanvankelijk een huwelijk zeer tot Nicolai’s genoegen, tot het geld er doorheen gejaagd is en vervolgens (juist daarom) ook zijn twee dochters zich steeds meer met de toestand gaan bemoeien.
Twee zusters die een niet al te beste relatie met elkaar hebben, worden nu gedwongen samen te werken en een pact te sluiten tegen Valentina. Voel je aanvankelijk een grote weerzin voor deze inhalige del, het lollige is dat je gaandeweg toch ook wel sympathie voor deze snol gaat krijgen.
Zo makkelijk is het ook allemaal niet voor haar als blijkt dat Nicolai helemaal niet die rijke man is en er helemaal geen grote luxe auto gekocht kan worden, dat het zoveelste-handse exemplaar een walmende flut auto blijkt te zijn. En de Rolls Royce die bij een louche autohandelaar gekocht wordt staat ook al na één ritje olielekkend in de voortuin.
Natuurlijk loopt de boel flink uit de hand, maar Nicolai schrijft rustig door aan zijn boek over de tractor in de Oekraïne, ongeveer het enige onderwerp waarover hij gepassioneerd kan vertellen  zeg maar gerust eindeloos over door kan emmeren (en anders wel over de halftractor in Ierland ).
Lewycka weeft knap verschillende verhaallijnen door elkaar; oude vader en jonge del, ruziënde zusters, de problemen van de immigranten uit een ex-sovjetland en het zeker niet brandschone verleden van de oude Nicolai. Én bovenal de geschiedenis van de tractor en zijn heilzame betekenis daarvan voor de mensheid.
Kortom een zeer vermakelijk boek.
En ga toch maar wat vaker bij uw oude vader op bezoek.
Chabon, M.: De Jiddische politiebond; €19.95
Eerbetoon aan Raymond Chandler.
Een boek dat ik alweer een tijdje geleden gelezen heb. Maar telkens bij de vraag “en nog een goed boek gelezen de laatste tijd?” bliebt dit boek toch wel erg vaak op. Hoog tijd dus om er eens iets over te schrijven.
In de beste traditie van de hardboiled detectives zoals Phillip Marlowe van Raymond Chandler heeft Michael Chabon zijn Meyer Landsman geschapen. Een zelfde cynische, door teleurstellingen getekende politieman die al weer enige maanden in het uiterst sjofele hotel Zamenhof woont, alwaar de meeste bordjes en opschriften in het Esperanto zijn.
Natuurlijk moet er een moord opgelost worden. In hotel Zamenhof wordt een dode junk gevonden met naast hem een schaakspel wat naar verdere aanknopingspunten zal leiden.
Hoe hard je ook je best doet dit als een gewone whodunnit te lezen, het gaat je niet lukken, hoewel alle ingrediënten aanwezig zijn, sombere rechercheur, veel drank en sigaretten, mislukt huwelijk, smoezelige hotelkamers, onduidelijke randfiguren, hele en halve zolen enz. enz.
Het verhaal speelt in een fictieve joodse staat, Israël is niet gelukt en de Joden hebben na afloop van de tweede wereldoorlog , (er is by the way een atoombom op Berlijn gegooid ) de staat Sitka in Alaska voor 60 jaar in bruikleen gekregen. Het is er grijs en nat en koud, hier wonen de ‘frozen chosen’. De bruikleenperiode loopt over enige maanden af, een nieuwe diaspora staat voor de deur, wie mag blijven en wie moet weg? Wie heeft de juiste papieren en wie niet? Klinkt bekend? Een heftig thema maar door Chabon wordt hier geen tragedie van gemaakt, zijn personages verzuchten voornamelijk : ”het zijn rare tijden voor Joden”
De oplossing van de zaak van de dode junk voert je langs de meest merkwaardige figuren en duistere krachten, foute casino’s gerund door Russische Joden, zwartehoeden-complotten en ja waarom niet, ook de Messias.
Alle bad guys zijn joden maar daar tegenover staat dat ook de good guys joden zijn.
En Landsman verricht met gepaste tegenzin zijn onderzoek, geassisteerd door zijn collega tevens neef Berko, half Jood half indiaan en op de vingers gekeken door zijn chef tevens ex-echtgenoot Bina Gelbfisch, je zou voor minder aan de drank gaan.
Hoewel dit boek heel erg de sfeer van de jaren ‘40-‘50 ademt, je ruikt de sigaretten en je hoort een schorre saxofoon, het is mistig en in zwart-wit, komen we aan het eind in een complot voor terroristische aanslagen, Al Qaida waardig zodat je meteen weer in het nu zit.
Het boek is doorspekt (!)  met Jiddische woorden en zelf verzonnen Jiddische straattaal, een woordenlijst ontbreekt maar uit de context haal je wel wat er bedoeld wordt, en soms ook niet. Is dat erg? Ik vond van niet.
Valt er nog wat te lachen bij dit boek? Reken maar!
Ik heb me af en toe slap gelachen om het ronkende taalgebruik, de oneliners en de lijpe personages, en zinnen als : “...maar de kristalontvanger waarmee alle Joden zijn uitgerust om de signalen van de Messias op te vangen, slaat onmiddellijk aan bij het zien van Bina’s achterwerk,...”
Een ode aan Raymond Chandler misschien maar zeker ‘gleufhoed af’ voor Michael Chabon.
Wow, wat een gaaf boek!
Tex, C. den; Cel; € 21,90 Winnaar van de Gouden Strop 2008
Hoeveel van uw persoonlijke gegevens zwerven er over het internet?
Na lezing van Cel is dit een heel reële vraag. Dit boek begint al meteen met een heftig verkeersongeluk waarbij een bekende politicus overlijdt en waarvan de hoofdpersoon Michael Bellicher getuige is. Als de politie ter plaatse de gegevens van Bellicher nakijkt wordt het steeds onaangenamer en uiteindelijk wordt Bellicher als verdachte meegenomen. Een ander ongeluk, veroorzaakt met een BMW op Bellichers naam, wordt hem aangerekend.
Een simpele vergissing die wel recht gezet gaat worden zou je denken. Nee natuurlijk niet! Het blijkt het begin te zijn van een ware nachtmerrie waarin voorbij komen: identiteitsroof, moslimterroristen, illegalen, mensenhandel, fraude met overheidssubsidies, een onduidelijke inlichtingendienst en internetcriminaliteit.
Kom daar maar eens ongeschonden uit.
Charles den Tex weet op flitsende wijze al deze onderwerpen in de schoot van Bellicher te werpen. Het blijkt dat Michael Bellichers identiteit is gestolen en dat op zijn naam auto’s en huizen worden gekocht, torenhoge schulden worden gemaakt en daar lijkt weinig aan te doen. Gelukkig heeft hij een paar goede vrienden en samen binden zij de strijd aan met een stelletje poldercriminelen. Het brein van de organisatie zetelt in een treurig kassengebied in Monster. Wat dan wel weer een mooi decor voor achtervolgingen vormt.
Het broodnodige hulpje dat Bellicher toegewezen krijgt is een wel erg vroegwijze autocoureur van 19 jaar, maar de teksten op zijn T-shirts zorgen  voor een goede running gag .
Cel is een met vaart geschreven boek waarvan ik het bij tijd en wijle goed benauwd kreeg en heel vaak heb ik gedacht dat ik toch wel erg blij was dat ik niet in Michael Bellichers schoenen stond. Maar of dat zo blijft na mijn laatste creditcardbetaling over het internet? Misschien ben ik straks ook wel de “trotse”  bezitter van een goudkleurige BMW 5, brrr.
Terug naar overzicht